Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

HOOFDSTUK IV.

Nakoming, veroordeeling tot nakoming, mogelijkheid van dwang tot nakoming, nakomingssurrogaten.

§ 29. Wordt door den schuldenaar niet vrijwillig aan zijn verplichting voldaan, dan kan de schuldeischer hem tot nakoming doen veroordeelen. Dat is altijd mogelijk, onverschillig of de verbintenis tot geven verplicht, dan wel tot doen.1 Wel bepaalt art. 1275, dat een verbintenis om te doen, ingeval de debiteur zijn verplichtingen niet nakomt, wordt „opgelost" in vergoeding van kosten, schaden en interessen, doch hieruit mag men niet afleiden, dat na wanpraestatie van den schuldenaar diens oorspronkelijk debitum niet meer verschuldigd is en zou zijn vervangen door een verplichting tot schadevergoeding.

De beteekenis van 1275 is, zooals wij nader zullen zien, deze, dat het de mogelijkheid uitsluit om een veroordeeling tot nakoming van een verbintenis om te doen, door geweld te doen executeeren. Ook dit heeft geleid tot de stelling dat men niet een veroordeeling tot nakoming van een verbintenis om te doen kan vragen. 2 Men dient echter te onderscheiden tusschen de mogelijkheid om een vonnis te vragen, waarin des debiteurs

1 Erkend voor verb. om te geven reeds door den H. R. in het arrest van 14 Mei 1875, W. 3853 voor de verbintenis om te doen bij arrest van 23 Juni 1899, W. 7302, Hoetink n°. 29. Laatstelijk en zeer duidelijk naar aanleiding van de artt. 257 en 261 K. het arrest van 18 Dec. 1931, W. 12393; N. J. 1932 blz. 769. De H. R. spreekt zich daarin niet bepaaldelijk ,uit of het daar behandelde geval als een verbintenis om te geven, dan wel als een om te doen moet worden opgevat, daarmede blijk gevende dat voor deze vraag de onderscheiding niet van belang is. De A.-G. noemt art. 1275, en dacht dus blijkbaar aan een verbintenis om te doen.

2 Opzoomer V., blz. 86.

Sluiten