Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Evenwel bedenke men, dat men hier te doen heeft met de realisatie van een verbintenis, niet van een zakelijk recht. Een zakelijk recht op de goederen heeft de crediteur niet, voor ze hem zijn gegeven en zal hij zelfs daarna niet hebben, indien het geven niet strekt tot eigendomsverschaffing. Hij heeft slechts tegenover zijn debiteur een vordering tot een door dezen te verrichten handeling, in casu tot geven. Is het goed, dat hem geleverd moest worden, dus inmiddels aan een derde in eigendom overgedragen, dan heeft de crediteur weinig aan zijn recht op gedwongen afgifte. Tegenover dezen derde kan hij dat niet aanwenden. Slechts indien en v. z. v. het goed nog in het bezit van den debiteur is, zal gedwongen bezitsoverdracht mogelijk wezen.

Een andere vraag is of ons procesrecht de middelen verschaft om al deze theorie ook in werkelijkheid om te zetten. Een regeling, die bepaald voor deze gevallen is geschreven, zal men in ons Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering tevergeefs zoeken. In ieder geval ware aanvulling dus gewenscht. Evenwel heeft de rechtspraak in sommige gevallen een uitweg gevonden. V. z. v. deze""— eigenlijk procesrechtelijke — vragen voor het thans behandelde onderwerp van practisch belang zijn, zullen zij later (in § 34) worden besproken.

§ 31. Feitelijke levering, ondanks den debiteur, is nu evengoed denkbaar bij een verbintenis om (roerende) soortzaken te leveren als om een bepaald voorwerp onder de macht van den crediteur te brengen. Altijd indien de debiteur zulke zaken bezit. En bij de in beslag neming zal de deurwaarder — ook in dit opzicht doende wat de debiteur zelf had behooren te doen — uit de aanwezige voorraden een keus moeten doen met inachtneming van het voorschrift van art. 1428 B. W. Vaak zal het echter niet voorkomen, dat een crediteur, wien soort-zaken moeten worden geleverd, heil zoekt bij een actie tot nakoming en

ment contraint a la donner; le créancier peut malgré lui, être mis en possession par autorité de justice: au lieu que celui, qui s'est obligé a faire quelque chose, ne peut être contraint précisément a le faire, mais faute par lui de remplir cette obligation, elle se convertit en une obligation de payer les dommages et interets résultans de 1'inexecution; ... zie ook n°. 156 van hetzelfde werk.

Sluiten