Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

onzekerheid, die over dit punt bestaat, zal het echter steeds gevaarlijk blijven dezen weg in te slaan. Stel dat iemand, die zich op de boven omschreven wijze in het bezit van een onroerend goed heeft gesteld, later met een derde over den eigendom in proces raakt, b.v. doordat hij van den derde schadevergoeding vraagt wegens beschadiging van het goed. De derde, die door het vorige vonnis niet gebonden is, zal kunnen betwisten, dat door de overschrijving van dat vonnis eigendom verkregen is. De rechter in de tweede zaak is mogelijk van een andere meening dan die in de eerste. In dat geval zal de latere rechter die inschrijving een formaliteit zonder eenig rechtsgevolg achten en den eigendom van hem, die het vonnis deed inschrijven, ontkennen.

Zoolang daarom geen wetswijziging de mogelijkheid van inschrijving boven twijfel heeft gesteld, zal men derhalve, indien een veroordeeling tot nakoming is verkregen, daaraan liever langs indirecten weg dwang trachten bij te zetten. Lijfsdwang is thans mogelijk (art. 587 nieuw R. v.) en ook de dwangsom (art. 61 ia nieuw Rv. kan hier krachtig helpen.

§ 35. De vordering tot nakoming kan worden ingesteld, zoodra het oogenblik gekomen is, waarop de debiteur moest praesteeren. Een voorafgaande ingebreke stelling of sommatie is niet vereischt. 2 Het is evenwel mogelijk, dat de debiteur zich, na tot nakoming te zijn gedagvaard, onmiddellijk en zonder voorbehoud tot praesteeren bereid verklaarde In dat geval zal de vordering wel worden toegewezen, doch zullen de proceskosten, als onnoodig gemaakt, voor rekening van den eischer behooren te komen (art. 56 Rv.). Om dit gevaar te ontgaan, wordt ook een dagvaarding tot nakoming vaak voorafgegaan door een sommatie. Ook dan kan natuurlijk de gedaagde zich in het daarop volgende rechtsgeding nog tot nakoming bereid verklaren. Doch

eeniging 1900, van MoeEngraaff en van Doorn, Asser-Scholten II, blz. 167, Suyeing II n°. 19. Behalve de daar geciteerde litteratuur ook nog Tjalsma, Onze z.g. zakelijke zekerheidsrechten blz. 18 en 101 e. v. CoeberGH, Juridische levering, W. P. N. R. 3256.

De rechtspraak, die in den laatsten tijd herhaaldelijk afwijkt van het standpunt van den H. R. vindt men in de verzamelingen van rechtspraak op art. 671 B. W. bijeengebracht.

2 Zie H. R. 14 Jan. 1910, W. 8968.

Sluiten