Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

HOOFDSTUK V. Verzuim.

§ 36. Indien de schuldenaar de praestatie niet of niet behoorlijk volbrengt op het oogenblik waarop hij daartoe verplicht is, dan geraakt hij — buiten het geval van overmacht, waarover later zal worden gesproken — „in verzuim". Dat heeft voor hem verschillende gevolgen, in de eerste plaats deze, dat hij verplicht is tot vergoeding der schade, welke door zijn nalatigheid is te weeg gebracht.

Juist met het oog op deze belangrijke gevolgen is het noodig, dat met zekerheid kan worden gezegd of de debiteur al dan niet in verzuim is en op welk oogenblik dit verzuim aanvangt.

Men kan zeggen — en op zich zelf is dat ook juist — dat het verzuim aanvangt op het oogenblik, waarop de nakoming had behooren plaats te hebben, in de praktijk geeft dit niet veel licht. In vele gevallen volgt toch uit de omschrijving der verbintenis niet precies, op welk oogenblik aan de verbintenis voldaan moet zijn. Indien geen tijd genoemd is, zal wel is waar de verplichting om te praesteeren onmiddellijk ontstaan en zal dus ook de nakoming onmiddellijk kunnen worden gevorderd, doch de verkeersopvatting laat toch veelal den debiteur zekere speelruimte. Zeker wordt, buiten uitdrukkelijk beding, slechts zelden bedoeld dat de praestatie onmiddellijk zal moeten plaats hebben en later niet meer zal kunnen geschieden.

Zelfs indien een datum is genoemd, wil dat nog niet altijd zeggen, dat juist op dien datum en niet ook nog eenigen tijd later mag worden geleverd. Het betreft altijd een vraag van uitlegging der concrete verbintenis. Hoewel de rechtspraak tegenwoordig wel wat scheutiger is geworden dan vroeger \ gaat zij 1 Zie de opstellen van DRUCKER in R. M. 1909, 191° en 1915-

Sluiten