Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

er ook thans niet spoedig toe over uit het noemen van een datum de bedoeling af te leiden, dat de debiteur, door dat oogenblik te laten voorbijgaan, van zelf in gebreke is. Zoo hebben de ontwerpers van de C. C. het ook bedoeld.1 Evenwel kan men art. 1306, dat vaak hierbij wordt aangehaald, bij dit onderwerp veilig buiten beschouwing laten. Dat een tijdsbepaling geacht wordt in het belang van den debiteur te zijn bedongen beteekent niet meer, dan dat hij te voren niet tot nakoming kan worden aangesproken. Of hij bepaaldelijk op den genoemden dag zal moeten praesteeren, dan wel dit ook later nog kan doen, is een geheel andere vraag, die niet door het stellen van dezen termijn beslist wordt. Evenmin heeft het opnemen van een termijn in het voordeel van den schuldeischer tot gevolg, dat deze t. a. v. de verplichting om te praesteeren fataal zal zijn. Ook zoon in favorem creditoris opgenomen tijdsbepaling heeft geen andere beteekenis, dan dat de debiteur te voren niet praesteeren mag. Of na het verschijnen van dien termijn alleen maar dit verbod vervalt, dan wel ook een plicht tot onmiddellijk praesteeren ontstaat, wordt wederom door andere factoren beslist.

In al deze gevallen is daarom nadere bepaling noodig van het tijdstip, waarop of waarvóór de praestatie moet plaats hebben, wil men kunnen beslissen, of de debiteur te laat praesteert. Om dit punt'te fixeeren dient de „ingebrekestelling", een van den crediteur uitgaande aanzegging, dat deze dadelijke voldoening weuscht op het in die kennisgeving genoemde tijdstip. 2

1 LocrE XII, blz. 558; de MaeEVTEEE ad art. 1319 C. C.

- Zóó arrest H. R. 29 Jan. 1915, W. 9845; n. J. 1915, 485, Hoetixk ,/ m- Volgens een andere, door den H. R. in dat arrest, en ook later, ver> worpen, opvatting dient de i. g. s. om te constateereh, dat de schuldenaar in gebreke is. Als dat waar zou wezen, zou een i. g. s. slechts mogelijk zijn, nadat de schuld opeischbaar geworden was. Een sommatie, gedaan vóór de schuld opeischbaar is en waarin den debiteur wordt aangezegd, dat de schuldeischer op den vervaldag ook onmiddellijke nakoming verlangt, heeft in die, door den H. R. verworpen, opvatting geenerlei beteekenis. In de theorie van den H. R. heeft zij daarentegen tot gevolg, dat de debiteur, welke op den vervaldag niet onmiddellijk praesteert, ook onmiddellijk in verzuim geraakt. Ondersteld altijd, dat de verplichting om te praesteeren dan nog bestaat en niet inmiddels is vervallen door een hindernis, die het karakter van overmacht draagt. (Zie H. R. 7 Mei 192,5, N- J- 1925, 997)- De schuldeischer kan toch, door vóór den vervaldag te sommeeren, wel zijn eigen recht veilig stellen, doch niet de verplichtingen des debiteurs verzwaren.

Over de verschillende opvattingen van de i. g. s. zie men Hamaker in W. P. N. R. 1807—1810. (Verspr. geschr. IV, blz. 5.)

v. Brakel, Verbintenissenrecht. 4

Sluiten