Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ren, die aan de contractueele vereischten niet voldoen; indien hij een verbintenis om te doen op gebrekkige wijze nakomt of een verbod overtreedt, hem door een verbintenis om niet te doen, opgelegd. Voor dit laatste geval spreekt de wet in art. 1278 nadrukkelijk uit, dat daarbij van ingebrekestelling geen sprake kan zijn; voor de andere volgt het uit art. 1279.1

§ 39- In de tweede plaats brengen de artt. 1274 2 en 1279 zelf een beperking aan. Indien een termijn bedongen is en het tevens de blijkbare bedoeling is van partijen, dat na verloop van dezen termijn de verbintenis niet meer kan worden vervuld, dan zal de schuldenaar, zoo zegt art. 1274, door het enkel verloop van dien termijn in gebreke zijn. 3 Art. 1279 breidt dit nog uit door een ingebrekestelling onnoodig te verklaren, indien „hetgeen de schuldenaar verplicht was te geven of te doen slechts kon geschieden of gedaan worden binnen zekeren tijd." Ook dus indien geen bepaald tijdstip is overeengekomen, doch indien de praestatie — naar verkeersopvatting — slechts waarde heeft, indien zij voor een meer of minder precies bepaald oogenblik geschiedt, zal een ingebrekestelling onnoodig zijn. 4 levering van seizoenartikelen, die het volgend jaar weer uit de mode zullen zijn, zal waardeloos wezen, indien zij eerst geschiedt, nadat het seizoen is afgeloopen of grootend eels verstreken.

iZie de arresten H. R. 19 Nov. 1915, W. 9942, met noot MjJlJBRS, w. J. 1916, 3 (verbintenis om te geven); 3 Febr. 1921, W 10719- N T 1921, 406 (verbintenis om te doen); 3 Februari 1928, W 11800V f 1928, 567 (idem). In zijn geciteerde noot bestrijdt Mei-ERS de' zienswijze van den H. R., zeggende, dat zoolang er nog niet op voldoende wijze is gepraesteerd, er nog niet is gepraesteerd. Hij wil dan ook dat de crediteur, welke de hem aangeboden waren als ondeugdelijk beschouwt w V^eellS sommeeren. wil hij schadevergoeding kunnen vragen' Werd dat aanvaard, dan zouden, vrees ik, vele schuldenaren bezwijken voor de verleiding om eerst eens te probeeren hun crediteur een partij minderwaardig goed te doen accepteeren. Het onderscheid door den H R gemaakt is dan ook reeds door Pothier aanvaard

2 Art. 1274 staat ten onrechte in de afdeeling over de verbintenissen om te geven Het wordt dan ook algemeen gelijkelijk toepasselijk geacht op verbintenissen om te doen. ' 8

j Zie H. R 30 April 1915, W. 9844, N. J. 1915, 915; HoeTink n°. 50. Daarom kan zij toch wel nuttig zijn b.v. om den leverancier van de seizoenartikelen, in de volgende zin genoemd, te nopen reeds vóór den aanvang van het seizoen te leveren.

Sluiten