Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

§ 40. Ten derde kan de debiteur den schuldeischer ontslaan van zijn verplichting tot ingebrekestelling. De artt. 1274 en 1279 bevatten geen dwingend recht. In vele huurcontracten komt b.v. de bepaling voor, dat indien de huur niet binnen acht dagen na den vervaldag is betaald, de huurder ipso jure in verzuim zal zijn. De debiteur kan echter ook eenzijdig afstand doen van zijn recht \ zooals hij ook kan nalaten in een proces zich op het vereischte van een ingebrekestelling te beroepen 2. Hetzelfde geldt, zoo neemt men aan, in het nauw verwante geval, dat hij erkent in verzuim te zijn, hetzij uitdrukkelijk, hetzij implicite, b.v. door schadeloosstelling aan te bieden.

§ 41. Ten slotte gaat de praktijk nog verder. Zoodra vaststaat dat een ingebrekestelling geen beteekenis meer kan hebben en dus een zinledige formaliteit zou worden, acht men haar overbodig. Zóó indien de schuldenaar nakoming heeft geweigerd, in een vorm, die doet zien, dat een latere sommatie daarin geen verandering kan brengen 3; indien hij het bestaan van zijn verbintenis uitdrukkelijk ontkent4 of indien hij het zich zelf onmogelijk heeft gemaakt te praesteeren, b.v. door het verkochte beeld of schilderij te vernielen. Dit laatste geval is in art. 1272 zelfs uitdrukkelijk aldus geregeld.

Ten slotte kan natuurlijk ook de wet zelve nog voor bepaalde gevallen vrijstelling geven van het vereischte der sommatie. Dat geschiedt b.v. in de artt. 449, 471 en 1663 B. W.

1 H R. 27 Juni 1919; W. 10468; N. J. 1919, 785-

2 Daar het bestaan van het recht om schadevergoeding te vorderen afhankelijk is van het in gebreke zijn van den debiteur, zal de schuldeischer in zijn dagvaarding de feiten moeten vermelden (sommatie, positieve wanpraestatie e. d.) waaruit volgt, dat de schuldenaar in gebreke is Verzuimt hij dit, dan zal wel is waar de rechter hem met op grond van dit verzuim ambtshalve niet ontvankelijk verklaren (zie H. R. 19 Nov 1926, W. 11595; N. J. 1927. 546) doch wèl indien de debiteur zich verweert door te zeggen, dat de gestelde feiten des eischers vordering niet rechtvaardigen. De eischer wordt dan in zijn eisch met ontvangen en kan zijn verzuim niet later goedmaken.

3 H R 24 April 1931, W. 12344; N. J. 1931 blz. 1321; Hoetink 52. *H. R. 28 Febr. 1913, W. 9482, N. J. 1913, 589- Vgl. daarbij echter

H. R. 7 Mei 1925, N. J. 1925. 997- , .

Men zie over dit alles, met name over de jurisprudentie, die gaandeweg veel royaler is geworden met dergelijke vrijstellingen Drucker, Ned. Rechtspraak over verbintenissenrecht. In gebreke zijn, ingebrekestelling, in R. M. 1909, 1910, 1915.

Sluiten