Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

is, wordt niet betwijfeld. Doch het woord acte kan hier, gelijk zoo vaak in onze wet, worden opgevat hetzij in de beteekenis van bewijsstuk, hetzij in die van rechtshandeling. De eerste opvatting leidt er toe, dat het deurwaardersexploit slechts door een andere authentieke acte kan worden vervangen. Dat kan niet veel anders zijn dan een dagvaarding. Men kan echter de wet ook zoo lezen, dat met de sommatie gelijk wordt gesteld iedere andere rechtshandeling, welke, met denzelfden nadruk als een deurwaardersexploit, den debiteur zijn verplichtingen inscherpt en hem voor nakoming een uitersten termijn stelt.

Zoo doet de Hooge Raad.1 Daaruit volgt dan ook, en die consequentie trekt de Nederlandsche rechter tegenwoordig zonder aarzelen, dat een brief of telegram een „soortgelijke" acte kan zijn. Het komt er maar op aan, dat deze met denzelfden nadruk, als een gerechtelijke aanmaning zou doen, van den debiteur nakoming eischen. Een vriendschappelijk verzoek „om nu eens wat haast te maken" of iets van dien aard, is onvoldoende 2. Eén consequentie weigert de Hooge Raad echter te trekken. Een mondelinge aanmaning, al is die nog zoo duidelijk en nadrukkelijk, weigert hij te beschouwen als een acte „soortgelijk" aan een bevel 3. Waarop de H. R. deze meening eigenlijk baseert, blijkt niet. Het beroep op de bedoeling van art. 1274 doet aan een historisch argument denken. Dat zal dan wel moeten bestaan in de omstandigheid, dat in de toelichting, bij de vaststelling van art. 1139 C. C. gegeven 4 en waarin op het verschil met het oud-Fransche recht werd gewezen, niet uitdrukkelijk is gezegd, dat een sommatie, anders dan onder het oude recht, voortaan ook mondeling zou kunnen geschieden. Dat is niet bijzonder overtuigend. En daartegenover staat, dat de opvatting van den Hoogen Raad inconsequent is, 1°. omdat zij dwingt

1 Arrest van 9 Dec. 1892, W. 6283.

2 Zie een voorbeeld in de arbitrale beslissing van den Raad van Arbitrage voor Metaalnijverheid- en handel van 13 Aug. 1924, A. R. 79-

s Zie behalve het arrest van 9 Dec. 1892, W. 6283 nog dat van 13 April 1922 W. 10388, N. J. 1922 blz. 593. waarin „het bevel of soortgelijke acte'' wordt gedefinieerd, als „eene aanzegging, bij geschrift, van den schuldeischer aan zijn schuldenaar, dat hij op den aangegeven tijd van dezen nakoming van de daarin duidelijk omschreven, tusschen pp. gesloten, overeenkomst verlangt"; laatstelijk H. R. 12 Maart 1925, W. 11377, N. J. 1925, 564.

«LOCRE XII blz. 558.

Sluiten