Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

§ 46. Van het recht, dat de ingebrekestelling den schuldeischer geeft, om naast nakoming schadevergoeding te vorderen, of desgewenscht zelfs schadevergoeding in plaats van nakoming te vragen, kan de crediteur weer geheel of ten deele afstand doen. Een uitdrukkelijke afstand zal zelden voorkomen. Vaak echter beproeft de debiteur aan te toonen, dat een afstand van dien aard in latere handelingen van den eischer ligt opgesloten. Dat mag echter niet spoedig worden aangenomen. Terecht besliste de Hooge Raad dan ook, dat een crediteur, die, na zijn debiteur in gebreke te hebben gesteld, nog eens had gesommeerd tot nakoming, daardoor wèl had te kennen gegeven geen schadevergoeding te zullen eischen, indien alsnog de praestatie werd verricht, doch overigens de gevolgen der eerste sommatie niet had te niet gedaan.1 Nagenoeg hetzelfde geval doet zich voor, indien de debiteur zonder in gebreke stelling reeds in verzuim is, doch de crediteur niettemin nog een sommatie doet. Zonder gevolg is dat niet. Voldoet de debiteur aan die, onnoodig uitgebrachte, sommatie (en ook in dit geval moet hem daartoe gelegenheid worden gelaten), dan kan de cred. geen schadevergoeding meer vorderen. Overigens behoudt het verzuim echter zijn kracht. Ook uit andere handelingen dan een sommatie zal een geheel of gedeeltelijk opgeven der rechten, door een voorafgaande sommatie verkregen, kunnen blijken, doch ook hier blijve de rechter reëel en hoede zich er voor om den crediteur een bedoeling toe te dichten, welke uit diens handelingen niet duidelijk blijkt.

§ 47. Veel verschil van meening bestaat over de vraag of de debiteur, die in verzuim is, de gevolgen daarvan kan afweren door alsnog de praestatie aan te bieden. De Fransche jurisprudentie laat dat in ruime mate toe. Ook hier te lande is het verdedigd 2

'H.R. 6 Mei 1921; W. 10774; N. J. 1921, 796. De lagere rechter ziet echter soms in een tweede sommatie een volledige opheffing van de gevolgen der eerste, indien niet uitdrukkelijk de uit de eerste verkregen rechten zijn voorbehouden in de tweede. Zoo b.v. Hof Amsterdam 8 Maart 1920, N. J. 1921, 210. Zelfs wordt dit voorbehoud soms onmogelijk geacht (rb. Dordrecht 22 Dec. 1920, W. 10861).

2 Asser-van Goudoever blz. 164; Drucker in R. M. 1915 blz. 545. Men beroep zich (zoo Hoffmann blz. 42) op het arrest H. R. 7 Maart 1924, W. 11249; N. J. 1924, 518, om te betoogen, dat de H. R. zuivering toelaatbaar acht, mits tegelijkertijd schadevergoeding wegens vertraging wordt betaald. Zoo ver is de H. R. in dat arrest echter niet gegaan. Men

Sluiten