Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

§ 54- Hoe echter ook de keus van den crediteur uitvalt, in ieder geval is de berekening van de schadevergoeding onderworpen aan de voorschriften, die de wet dienaangaande in de artt. 1282—1285 geeft.

Voor wij die bepalingen echter gaan bespreken, dienen nog enkele opmerkingen gemaakt aangaande het gebied, waarop zij toepassing vinden 1.

Ten eerste zij er aan herinnerd, dat wij hier behandelen de schadevergoeding wegens wanpraestatie, dus de bijkomende of vervangende schadevergoeding, verschuldigd, omdat een verbintenis niet is nagekomen. Tot datzelfde gebied beperkt zich ook de toepasselijkheid dezer artikelen. Dat blijkt duidelijk uit art. 1279, dat de grondslag dezer bepalingen vormt.

Schadevergoeding, welke zelf den primairen inhoud eener verbintenis vormt (b.v. die, welke verschuldigd is uit onrechtmatige daad of onteigening), valt buiten dit gebied2. Daarop kunnen deze artikelen hoogstens per analogie worden toegepast3. Overigens is het voor de toepassing der artt. 1282—1285 onverschillig, of de niet-nagekomen verbintenis zijn bron heeft in een overeenkomst, dan wel in de wet. Ook de schadevergoeding, welke verschuldigd is wegens schending van een der bepalingen van burenrecht (artt. 672—720 B. W.), wordt b.v. door deze artikelen beheerscht.

Eén nadere beperking dient nog aangebracht. De schadevergoeding wegens niet-tijdige betaling van een geldschuld, valt óók buiten deze artikelen. Deze schadevergoedingen vinden in de artt. 1286 e. v. een afzonderlijke regeling.

§ 55. Ten tweede : de artt. 1282—88 laten geen anderen vorm van schadevergoeding toe dan die in geld. Een paar rechterlijke colleges beslisten anders. Zoo kreeg het Hof te Arnhem het bedrag der schade te bepalen, geleden door den eigenaar van een smaragd, die aan een juwelier was toevertrouwd om

1 Zie in het algemeen over dit onderwerp H. R. Ribbius, De omvang van de te vergoeden schade bij niet-nakoming van verbintenissen en bij onrechtmatige daad (1906).

2Arr. H. R. 28 Dec. 1906, W. 8477.

3 Hetgeen dan ook door de rechtspraak pleegt te geschieden, met uitzondering van art. 1283, dat een sterk contractueel karakter draagt.

Sluiten