Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

dat ook deze, wel door den debiteur, doch niet door een objectieven toeschouwer te voorziene schade, tot de rechtstreeksche moest worden gerekend. Doch dan is er ook „arglist".

§ 63. Ad c. Indien er geen arglist is, behoeft echter niet alle rechtstreeksche, doch alleen de voorzienbare schade, vergoed. Wederom speelt dus het element der voorzienbaarheid een rol. Het ligt zelfs voor de hand te vragen, of men de rechtstreeksche schade van art. 1284 en de „voorzienbare" van art. 1283 niet — in strijd met de wet — vereenzelvigt, indien men ook de vraag, wat rechtstreeksche schade is, gaat beantwoorden met behulp der „voorzienbaarheid". Toch moet deze vraag ontkennend worden beantwoord. Het verschil tusschen de beide gevallen ligt hierin, dat de schade, in art. 1283 bedoeld, is de schade welke ten tijde van het aangaan der overeenkomst kon en moest worden voorzien en die van art. 1284, die als zoodanig te voorzien was op het oogenblik der wanpraestatie.

De schade"" welke, buiten het geval van „arglist", moet worden vergoed, is die „welke men voorzien heeft of heeft kunnen voorzien." Zoowel uit het bezigen van het woord „men" als uit de gelijkstelling van „kunnen voorzien" met „voorzien" blijkt, dat men zich ook hier niet stellen moet op het subjectieve standpunt van een der partijen, doch op dat van den objectieven, doch omtrent alle détails ingelichten, toeschouwer. Ook dan blijft de grens vaag tusschen de schade, die wèl, en die, welke niet voorzien behoeft te worden. De rechtspraak biedt dan ook tal van, onderling niet steeds harmonieerende, beslissingen ©en

1 Tot tamelijk wat verschil van meening gaf b.v. aanleiding het geval, dat A aan B verkoopt en B onder beding van boete doorverkoopt aan C. Tengevolge van A's wanpraestatie, kan B niet leveren en moet de boete aan C betalen. Moet A deze boete aan B vergoeden? Men is het gaandeweg over de bevestigende beantwoording wel eens geraakt; althans indien B koopman is, kon A voorzien, dat B zou doorverkoopen en was het geenszins onwaarschijnlijk, dat B zich door een strafbeding zou binden. Slechts indien dat strafbeding tot betaling van een extravagant hooge boete zou dwingen, zou daarmede niet, of slechts ten deele rekening moeten worden gehouden. Dat de eerste kooper zich tot een abnormaal hooge boete zal verbinden is immers niet te voorzien.

Men bedenke voorts, dat het ook hier van invloed is of de transacties waren betroffen, die te allen tijde op de markt verhandeld worden. Is dat niet het geval, dan gaat het bovenstaande zonder mankeeren op. Had echter de eerste kooper ter beurze de hem niet geleverde waren te

Sluiten