Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

het bedrag wordt dat uitdrukkelijk gezegd; niemand twijfelt er echter aan, of ook ten aanzien van de factoren, waaruit de schade bestaan zal, kunnen partijen een regeling treffen, welke van de wettelijke afwijkt. Daardoor kan de aansprakelijkheid van den. debiteur worden uitgebreid of beperkt. Het laatste komt vaker voor dan het eerste. T. a. v. sommige bedrijfstakken, heeft de wetgever zelfs aanleiding gevonden de contractsvrijheid op dit punt te beperken. In de eerste plaats bestaat daartoe aanleiding t. a. v. bedrijven, die feitelijk een min of meer monopolistische positie innemen, hetzij dan dat deze uit den aard van het bedrijf voortvloeit, hetzij door aaneensluiting der ondernemers gemakkelijk kan worden verkregen. Men zie b.v. art. 3 der spoorwegwet, art. 470 e. v. K. Ook de vele beperkingen der contractsvrijheid van pp., die een arbeidsovereenkomst sluiten, zijn ingegeven door de vrees, dat de werkgever anders zijn veelal sterkere positie zou misbruiken. T. a. v. de verschuldigde schadevergoeding leidde deze vrees tot opneming van art. 1639^.

Omgekeerd komt het ook voor, dat voor bepaalde bedrijven de gemeenrechtelijke contractueele schadevergoedingsplicht wordt beperkt. Men vergelijke b.v. de artt. 96, 525 en 526 K. Soms treft de wet zelve een regeling, door een fixatie, die soms voor de eene, soms voor de andere partij voordeel zal opleveren, doch in ieder geval zekerheid geeft en moeilijkheden voorkomt. Zie b.v. de artt. 411, 439, 448 K., 438 (nieuw) K., 450 (nieuw) K.

§ 67. Art. 1286 behandelt een bijzonder geval. Het regelt de schade, geleden door de vertraagde nakoming van een verbintenis, bestaande in de verplichting een geldsom te betalen. De schade bestaat dan.in de wettelijke rente 1, zonder dat eenig bewijs van het bestaan dier schade behoeft te worden geleverd. Die rente krijgt de crediteur dus ook, al zou vaststaan, dat hij het geld, ware het tijdig uitbetaald, renteloos in zijn eigen kas zou hebben laten liggen. Daarentegen begint die verplichting tot rentebetaling paste loopen op het oogenblik, waarop betaling der hoofdsom in rechte wordt gevorderd, d. i. — zoo wordt de bepaling algemeen

1 5 °o in burgerlijke, 6-°trm-handelszafcen. (Wet van 22 Dec. 1857, S. 171). Deze percentages gelden krachtens art. 1286 zelf, niet voor borgtochten (art. 1876 B. W.) en zaken van koophandel,; voor maatschapsverhoudingen maakt art. 1663 3 B. W. een uitzondering.

Sluiten