Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

de verscHillende ontstaansvormen van de geldschuld. Zoodra er een geldschuld bestaat, is het toepasselijk. Doch men houde in het oog, dat het artikel alleen voorschriften geeft over de schade, door vertraagde uitbetaling van die schuld ontstaan.1 Met den omvang van die geldschuld zelf houdt art. 1286 zich niet op. 2 In de schadevergoeding zelf kan — zooals wij in § 58 zagen — dan ook zeer goed een bedrag wegens rentegemis zijn opgenomen. Art. 1286 krijgt pas beteekenis, indien de eenmaal vastgestelde schadeloosstelling niet wordt uitbetaald. Indien b.v. het bedrag eener schadevergoeding wegens wanpraestatie door partijen in onderling overleg is vastgesteld, of door een, door hen aangewezen, derde is bepaald, doch de debiteur talmt met uitbetalen, zoodat de crediteur een proces begint om een executorialen titel te krijgen, dan oefent art. 1286 alleen in zooverre invloed uit, dat het veroorlooft over dat vastgestelde bedrag rente te vorderen van af den dag der dagvaarding tot op dien der betaling, en verbiedt hetzelfde te doen over het tijdvak gelegen tusschen de vaststelling van het schadebedrag en de dagvaarding. Hetzelfde zal het geval zijn, indien de schade door een autoaanrijding geleden, door partijen of hun vertegenwoordigers wordt vastgesteld.

Vaak wordt echter over het bedrag der schadevergoeding zelve geprocedeerd. Dan dient het proces alleen om den omvang der schade vast te stellen en verschaft den benadeelde tevens een executorialen titel voor het schadebedrag. Dan blijft art. 1286 geheel buiten beschouwing, daar eerst door en na het proces de omvang der geldschuld vaststaat. 3

Nu wordt in dergelijke processen de omvang der schade en dus

1 Andere schade ontstaan door wanpraestatie t. a. v. voldoening van geldschulden behoeft geen regeling. Vervangingsschade komt daarbij niet te pas. Immers de vervangende schadevergoeding zou weer in hetzelfde geldsbedrag bestaan als de oorspronkelijke schuld. Zie dit uitvoeriger bij Diephuis X, blz. 106 e. v.

2 Zie arrest H. R. 2 Febr. 1912 W. 9319 met noot van Meijers.

3 Zie arrest H. R. 27 April 1894, W. 6496. Men vergelijke daarbij meyers' noot onder H. R. 2 Febr. 1912 in W. 9319. In 1912 werd door den Adv.-Gen. Ort de meening verdedigd, dat men de schadevergoeding verschuldigd moest achten vanaf den dag der wanpraestatie of van die der onrechtmatige daad, ook al werd het juiste bedrag dier schadeloosstelling eerst door het vonnis vastgesteld. Daaruit zou dan volgen, dat alle renteberekening sedert den dag van het verzuim of van de onrechtmatige daad, aan de regels van art. 1286 onderworpen was. De H. R. verwierp deze meening implicite, gelijk ook reeds was geschied in het arrest van 1894.

Sluiten