Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

min na, dan neemt hij zelf weer schuld op zich. Soms zal daarvan het gevolg zijn, dat de schuld wordt gedeeld, soms evenwel zal het een gewone eisch van het verkeer zijn (en zal dus ook worden verlangd), dat hij de nadeelige gevolgen geheel opheft of voorkomt.1

B. Nauw verwant is het geval, dat de crediteur na het ongeval den omvang van de schade had kunnen beperken, doch dit beeft nagelaten. De passagier, die bij een spoorwegongeval verwond wordt, weigert b.v. zich aan een niet-gevaarlijke operatie te onderwerpen, welke het opgeloopen letsel weer zou wegnemen of verminderen. Ook dat heeft tot gevolg, dat een deel der schade vóór rekening van den crediteur blijft. 2

C. Ten slotte kan het ook zijn, dat de wanpraestatie naast nadeel ook voordeel voor den crediteur afwerpt. Uit het verzekeringsrecht is de „verbetering van oud tot nieuw" bekend. Indien het voordeel inderdaad het gevolg is van de wanpraestatie, behoort dit voordeel natuurlijk van het totale nadeel te worden afgetrokken om den juisten omvang van de schade te bepalen, die het gevolg van de wanpraestatie is. 3 Doch men betrekke in deze berekening niet de voordeden, die niet rechtstreeks uit de wanpraestatie voortvloeien, dus b.v. niet de schenking, welke een medelijdend familielid den benadeelde doet, of het bedrag der levensverzekering, dat aan de nagelaten betrekkingen wordt uitgekeerd van hem, die bij een spoorwegongeluk om het leven komt.4

1 Een voorbeeld van zoo'n geval, waarin aan beide zijden onvoorzichtig was gehandeld, en niettemin een der pp. de geheele schade kreeg te dragen geeft rb. Utrecht 4 Febr. 1923; N. J. 1924, 450. Het betrof toen een vordering ex art. 1401, doch ook uit contract had een soortgelijke situatie kunnen ontstaan.

2 In het arrest van 24 April 1931, W. 12344; N. J- Ï931 btz- !32i, Hoetink n°. 52, komt de Hooge Raad tot eenzelfde conclusie op grond van een andere redeneering. Zulk „stilzitten" is, zoo zegt het arrest, als zijnde onredelijk, niet te verwachten en de daardoor ontstane vermeerdering van de schade is dus niet het rechtstreeks gevclg van de wanpraestatie. De H. R. zoekt dus steun in art. 1283.

3 Zie het geval beslist bij H.R. 16 Nov. 1928, W. 11922, N.J. 1928,1675, waar de schade geleden doordat kooper de goederen niet met winst kon verkoopen verminderd werd met het bedrag der bedrijfsonkosten, die hij thans niet behoefde te maken.

4 Zie over dit onderwerp het proefschrift van van Woudenberg HamSTra, Toerekening van voordeel bij schadevergoeding (1904).

Sluiten