Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

en behoudt het zijn kracht.1 Dat is trouwens geheel in overeenstemming met het systeem der wet, die ondanks de ontbinding, welke de overeenkomst doet ^vervallen, toch schadevergoeding toekent voor de niet-nakoming van dezen ontknoopten rechtsband. 2

§ 78. Het boetebeding wordt door den wetgever in de eerste plaats beschouwd als een gefixeerde schadeloosstelling. Daarom laat het opnemen van zoo'n beding onaangetast de bevoegdheid om nakoming te vragen (art. 1342). Evenmin zal het in den regel invloed hebben op het bestaan van de bevoegdheid ontbinding te vorderen. 3 Het boetebeding krijgt eerst beteekenis, indien de schuldeischer schadevergoeding wil vragen. De dan te vragen schadevergoeding is gefixeerd. De crediteur behoeft niet meer te bewijzen, dat hij, als gevolg van de wanpraestatie, schade lijdt en evenmin hoe groot die schade is. Het belet hem echter ook, indien zijn schade grooter is, dan door de gefixeerde som wordt goedgemaakt, dit excedent op zijn debiteur te verhalen (art. 1343 J, 1285). De rechter kan echter — op verzoek van den aangesproken debiteur —■ het bedrag der gefixeerde schade verminderen, indien de verbintenis ten deele is nagekomen. 4 De Hooge Raad acht dit zelfs mogelijk bij een verbintenis om niet te doen.5 Doch aan de voorwaarde, dat gedeeltelijk moet zijn nagekomen, houdt de H. R. vast. Van een algemeen matigingsrecht van den rechter, door enkele uitspraken, met een beroep op art. 1374, erkend, wil de H. R. niet weten. 6 Terecht. Wat door de goede trouw wordt geëischt is, voor dit geval, in art. 1285 geregeld.

Uit de opvatting, dat de boete in de eerste plaats een gefixeerde schadevergoeding is, volgt voorts, dat de boete eerst kan worden gevorderd, indien de debiteur in verzuim is en dat zij in het ge-

1 H. R. 24 Dec. 1868, W. 3081.

2 Hierover uitvoeriger bij de ontbinding ex art. 1302.

3 Zie noot 1 op blz. 94.

4 Speciale gevallen, waarin vermindering der gefixeerde schade mogelijk is, vindt men nog in de artt. 1637M en 1637*.

5 H. R. 2 Febr. 1922; W. 10892; N. J. 1922, 379, Hoetink n°. 66. Zie daaromtrent Schoeten in Recht, beslissingen betr. de Arbeidsovereenkomst 1 Februari 1934.

6 H. R. 10 Nov. 1932; W. 12533; N. J. 1932, 1729.

Sluiten