Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

eenkomst is zij trouwens niets dan een toepassing van art. 1374.1 Schuld nu bestaat bij den schuldenaar, indien hij aan deze, aldus nader bepaalde, vereischten niet heeft voldaan. Daarbij houde men in het oog, dat deze eischén in objectieven zin moeten worden opgevat. Niet beslissend is, wat men van dezen schuldenaar, in verband met zijn aanleg, bekwaamheid en ontwikkeling, doch wat van een eerlijken, betrouwbaren, bekwamen debiteur mag worden geëischt. 2 Geheel onbuigzaam is deze maatstaf niet. Hij laat toe, dat de verschillende aard der rechtsverhoudingen tot eenige differentiatie in de eischen leidt. 3

Zoodra dus de schuldvraag ter sprake komt — en dat is zeer vaak het geval, zooals wij zullen zien —geven deze artikelen een, zij het zeer algemeen, antwoord op de vraag, wat als schuld is te beschouwen. Meer dan dat doen zij niet. In het bijzonder mag men uit deze omschrijving der schuld niet afleiden, dat waar geen schuld is, ook geen aansprakelijkheid kan bestaan. Zelfs indien dit naar ons recht waar zou wezen — wat volstrekt niet het geval is — dan zou dat toch nooit uit deze artikelen kunnen volgen. 4 Integendeel — gelijk nader zal blijken —■ is het wel waar dat, indien er schuld is bij den debiteur, van overmacht geen sprake kan zijn, doch gaat het omgekeerde niet op en kan de debiteur aansprakelijk zijn, ook als hem geen schuld te verwijten valt.

1 De opneming van art. 1271 heeft dan ook voornamelijk deze beteekenis, dat met de onderscheiding van verschillende soorten schuld, die het Romeinsche recht kende, werd gebroken. Zie Asser-van Goudoever blz. 120 e. v. Onze wet kent slechts één geval, waarin bij de uitvoering van een overeenkomst een andere regel geldt: art. 1743, dat van den bewaarnemer dezelfde zorgvuldigheid eischt, welke deze in zijn eigen zaken aanwendt.

2 De omstandigheid, dat in het genoemde art. 1743, bij uitzondering, genoegen wordt genomen met schuld in subjectieven zin, bewijst, dat in het algemeen schuld in objectieven zin vereischt wordt.

3 De wet doet dit zelf ook in de artt. 1744 en 1838 2 B. W.

4 Uit deze overweging volgt m. i., dat het principieel onjuist is de vraag, wat overmacht is, uit art. 1271 af te leiden, zooals Houwing en zijn volgers doen.

Een tweede argument tegen het toekennen aan art. 1271 van deze beteekenis voor de overmachtsvraag, is het volgende. Art. 1271 zegt niet, dat de verplichting om te geven gelijk is aan, of bestaat in, de verplichting om als een goed huisvader voor het behoud der zaak te zorgen, doch legt deze zorgverplichting op naast die tot de praestatie. Het artikel dient dus om de verplichtingen des debiteurs te verzwaren, niet om die te verlichten, gelijk in Houwing'S interpretatie geschiedt.

Sluiten