Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

veelal in dezen vorm ter sprake. Toch is deze voorstelling gevaarlijk en zelfs onjuist. Niet de ontheffing van de schadevergoedingsplicht, doch de opheffing van den plicht tot praesteeren is het eerste en voornaamste gevolg, verbonden aan een der omstandigheden, die onder het overmachtsbegrip vallen. Dat geen schadevergoeding behoeft te worden betaald, is weer het gevolg van het vervallen van den praestatieplicht.

Wel komen in ons recht enkele gevallen voor, waarin schadevergoeding verschuldigd blijft, ook al is het niet nakomen der verbintenis niet onrechtmatig 1, doch dit blijven incidenteele uitzonderingen. 2 En het omgekeerde, een regeling, die den debiteur tot het volbrengen van de praestatie blijft verplichten, doch hem ontheft van de subsidiaire verplichting tot vergoeding der schade, door het niet-nakomen veroorzaakt, komt niet voor. Deze overwegingen leiden dus tot het inzicht, dat de overmacht de ruimste werking heeft t. a. v. de praestatieplicht. De gevallen, waarinde praestatieplicht wordt opgeheven, geven dus tevens de uiterste grens aan, waarbinnen opheffing van de vergoedingsplicht kan worden aangenomen.

§ 86. Allereerst zoeken wij dus naar bepalingen, welke de praestatieplicht zelve opheffen op grond van nader ingetreden moeilijkheden.

Een regeling, welke alle verbintenissen bestrijkt, is in de wet niet gegeven. Maar voor de verbintenis om te geven heeft art. 1480 eene opsomming van de later opkomende moeilijkheden, welke tot opheffing van den praestatieplicht leiden. Daaruit kunnen wij zonder moeite afleiden, van welke algemeene regel de wetgever hier uitging; te eer, daar deze conclusie in de rechtsgeschiedenis een nadrukkelijke bevestiging vindt.

1 Zie de artt. 699 en 1638w. Een ander geval vindt men in art. 379 K.

2 meyers heeft in zijn praeadvies, blz. 165—170, ook blz. 178, de wenschelijkheid betoogd dat een dergelijke regeling ook in andere gevallen zou worden getroffen. Vooral indien de ontheffing van de praestatieplicht den debiteur voordeel bezorgt of hem een verlies bespaart, ware het billijk, dat de teleurgestelde crediteur althans een deel van dit voordeel ontving, tot gedeeltelijke vergoeding van zijn schade. Overigens zullen deze gevallen zich eerder voordoen bij een ruime overmachtsleer, dan bij een die de grenzen nauwer trekt. Zie in dit verband ook Levënbach § 123.

Sluiten