Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Het zijn er drie: i het vergaan der verschuldigde zaak, 2 het buiten den handel der menschen geraken, wat men duidelijker kan uitdrukken door te spreken van een wettelijk verbod en 3 het verloren gaan der zaak, „zoodanig dat men van derzelver bestaan te eenenmale onkundig is." Wij komen op deze gevallenen op de uitwerking der regeling terug. Allereerst is het er ons echter om te doen, uit deze drie gevallen den algemeenen regel af te leiden, welke deze voorschriften beheerscht. Deze kan m. i. geen andere zijn, dandatvolstrekteonmogelijkheid, en alleen volstrekte onmogelijkheid, van de verplichting om te praesteeren vrijstelt. Dat wordt ook bevestigd door de historie. Het was de theorie van Pothier, die zich daarbij op een lange reeks voorgangers kon beroepen en ook die van de schrijvers, welke na het tot stand komen van den Code Civil en vóór de samenstelling van ons B. W. het Fransche wetboek commentarieerden. Zoowel Deevincourt als Toullier huldigen haar. Dat onze wetgever met deze feiten voor oogen de artikelen van den CC, die over de overmacht handelen, letterlijk vertaalde, bewijst toch zeker wel, dat men in dit opzicht niets wilde veranderen. De artt. 1280 en 1281 zijn met dit resultaat niet in strijd. Art. 1280 zegt alleen — negatief — dat bevrijding van de verplichting tot schadevergoeding bij uitblijven der praestatie slechts het gevolg kan zijn van een „vreemde oorzaak, die hem (den schuldenaar) niet kan worden toegerekend". Daardoor vestigt art. 1280 wel de aandacht op den invloed, welke kan uitgaan van het feit, dat de debiteur schuld heeft aan het ontstaan der verhindering en misschien ook op de mogelijkheid, dat de debiteur bepaalde risico's voor zijn rekening heeft genomen, doch het geeft niet aan, welke gevallen den debiteur al dan niet kunnen worden toegerekend. Dat geschiedt wel door art. 1281, dat als eenige reden van vrijstelling de verhindering, door toeval of overmacht veroorzaakt, noemt. Wat toeval of overmacht zijn, wordt niet verder aangeduid. Het waren, naar de voorstelling van den wetgever, blijkbaar bekende be-

heeft of extra-risico op zich heeft genomen. Waartoe zou toch deze uitzondering nut hebben, als het niet was om te doen uitkomen, dat dan de vergoedingsplicht bleef bestaan ? De zaak zelf kan, in de gevallen door art. 1480 voorzien, immers toch nooit geleverd worden, ook niet. als de, debiteur schuld heeft of extra-risico draagt.

Sluiten