Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

grippen. De historie leidt dus tot geheel dezelfde conclusie als waartoe de analyse van art. 1480 ons bracht. 1

Deze onmogelijkheid moet niet alleen voor den schuldenaar, in verband met diens persoonlijkheid, diens omstandigheden en diens vermogenstoestand, bestaan, doch is eerst aanwezig, wanneer zij voor alle schuldenaren de praestatie zou beletten. 2 Het laatste geval, in art. 1480 genoemd, levert daarvoor m. i. het bewijs. Niet genoeg is immers, dat de debiteur niet weet, waar de verschuldigde doch verloren zaak is, doch vereischt wordt, dat „men" daaromtrent in onkunde verkeert.

Uit ditzelfde geval mag men echter ook wel afleiden, dat het begrip onmogelijkheid niet in den natuurwetenschappelijken zin behoeft te worden genomen, doch dat men ook onmogelijk mag noemen, wat door iedereen, in verband met den oogenblikkelijken stand van onze kennis en ons kunnen, als zoodanig mag worden beschouwd. 3 En zelfs behoeft men niet noodzakelijk aan physieke onmogelijkheid te denken; ook wat in onze samenleving practisch niet te realiseeren is, valt er onder.

1 In Frankrijk heeft men daaraan dan ook nooit getwijfeld. Zie Radouant, Hoofdstuk i.

2 De z.g. objectieve onmogelijkheid, in tegenstelling met de subjectieve, welke allen voor een bepaalden schuldenaar bestaat. Zie Asservan Goudoever blz. 183, Radouant loc. cit. Men zij er op bedacht, dat sedert de ruimere overmachtsleer, welke Houwing hier heeft geïntroduceerd, invloed kreeg, de termen objectieve (of absolute) en subjectieve (of relatieve) overmacht vaak in anderen zin worden gebruikt. Men gebruikt ze n.1. ook wel om de tegenstelling aan te duiden tusschen een onmogelijkheid en een moeilijkheid, welke strikt genomen nog wel te overwinnen zou zijn, doch slechts ten koste van al te groot geachte offers.

Ook bij de toepassing van de leer, die een belangrijke mate van „difficultas" met de „impossibilitas" gelijk stelt, zou men wel weer kunnen gaan onderscheiden tusschen een difficultas, die voor iedereen en een die slechts voor een bepaalden debiteur een beletsel oplevert. Het uitgangspunt der relatieve overmachtsleer leidt er echter als vanzelf toe in dit opzicht een subjectief standpunt in te nemen.

3 Houwing leidt uit dit derde geval van art. 1480 zelfs af, dat Pothier en de wet hier, naast de beide vorige gevallen, die de oude impossibilitasleer zouden bevatten, de deur voor zijn ruimere leer opent, die ook zou toelaten een beroep op zoodanige „difficultas", welke slechts te overwinnen ware door offers, die redelijkerwijze niet van den debiteur te vergen zijn. Doch Pothier, aan wien ook deze bepaling vrijwel letterlijk ontleend is, ziet er volstrekt geen afwijking in van zijn uitgangspunt. TJne chose, qui s'est perdue, de manière qu'on ignore ou elle est, est peu différente de celle qui a cessé d'exister". Het is dus slechts een uitbreiding van het eerste geval op grond van practische overwegingen. Zie over dit punt Levenbach § 30.

Sluiten