Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

§ 88. Op het eerste en het derde geval, in art. 1480 genoemd, behoeven wij, na het bovenstaande, niet verder in te gaan. Een paar opmerkingen dienen echter gemaakt over het tweede, dat de verplichting tot praestatie eveneens doet vervallen, indien de zaak buiten den handel geraakt, d. w. z. indien een wet of andere wettige overheidsmaatregel komt verbieden t. a. v. zoo'n zaak een overeenkomst, als partijen hebben gesloten, aan te gaan of uit te voeren. 1 Met natuurlijke onmogelijkheid wordt dus de „wettelijke" „juridische" of „moreele" gelijkgesteld. Dat kan ook moeilijk anders. De wetgever, die den handel in een bepaald artikel verbiedt, kan niet tegelijkertijd een eisch tot levering, dus tot een handeling, welke slechts met overtreding van dat verbod kan geschieden, doen toewijzen. Voor de aanwezigheid van overmacht in dezen vorm is dus ook het bestaarl van een verbod voldoende; of de regeering in staat is overtredingen met geweld tegen te gaan is onverschillig. Daarom kan het van belang zijn nauwkeurig tusschen beide vormen van overmacht te onderscheiden.

Ik wijs er daarom nog eens op, dat ik hierboven sprak van wettige regeeringsmaatregelen. Aan een onwettig gegeven overheidsbevel is men geen gehoorzaamheid schuldig; het kan dus ook geen wettelijke overmacht opleveren. 2 Wel kan een onrecht-

1 Zoo'n maatregel kan zijn van algemeenen aard, gelijk b.v. het geval is, wanneer bij invoering van een staatsmonopolie alle nog niet uitgevoerde overeenkomsten tot levering van het aan den staat voorbehouden artikel ongeldig worden, of van meer beperkte strekking. Een invoerverbod van een bepaald artikel belet b.v. niet de nakoming van hier te lande uitvoerbare contracten. Slechts indien alle voorraden van dat artikel hier te lande uitgeput waren, zou men zich op de onmogelijkheid om te leveren kunnen beroepen. Er zou dan een combinatie van natuurlijke en wettelijke overmacht bestaan. Dat de rechter goed moet nagaan wat nu eigenlijk door den overheidsmaatregel verboden wordt en dat alleen binnen die grenzen (wettelijke) overmacht bestaat, werd door den II. R. uitgesproken in arrest van 25 Juni 1915, W. 9809; N. J. 1915, 673.

2 Zeer twijfelachtig schijnt of een door de overheid gegeven „wenk" (dat verhuur van een zaal voor een bepaald doeleinde ongewenscht werd geacht) wettelijke overmacht kan opleveren, gelijk K. R. den Haag (8 Dec. 1930, X. J. 1931, 166) besliste. De overheid, die met het geven van een ..wenk" volstaat, geeft daarmede te kennen, dat zij öf wel de bevoegdheid tot uitvaardigen van een verbod mist, óf wel van die bevoegdheid geen gebruik wil maken. M. i. kan hier slechts overmacht worden aangenomen, indien het niet-opvolgen van den wenk zeker tot gewelddadige verhindering der praestatie zou leiden. Dan is het echter ook geen geval van wettelijke verhindering meer, doch een aan feitelijke onmogelijkheid.

Sluiten