Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

matig feitelijk optreden der overheid overmacht opleveren, maar dat is dan het geval, omdat dit optreden inderdaad een feitelijke onmogelijkheid tot praestatie schept.1 En met een dergelijke feitelijke onmogelijkheid wordt algemeen gelijkgesteld een bedreiging met geweld, welke den indruk moest wekken, dat een weigering door feitelijk geweld zou worden beantwoord.

Uit deze oogpunten beoordeele men ook de kracht van maatregelen eener vreemde regeering. Hier te lande kunnen zij niemand tot gehoorzaamheid verplichten; zelfs indien de debiteur aan een buitenlandsche autoriteit bepaalde toezeggingen heeft gedaan, vermag dat hier te lande „den loop des rechts niet te keeren" 2. Mogelijk is echter ook hier, dat maatregelen van vreemde regeeringen feitelijke overmacht opleveren. 3 Een bevel van een vreemde regeering moet echter in haar eigen land wèl worden gehoordzaamd en kan dus, v. z. v. de nakoming der verbintenis in dat land moet geschieden, wettelijke overmacht opleveren. Dat erkent ook de nederlandsche rechter. Wat hier te lande geen overmacht zou zijn, kan het aan gene zijde van de grens wèl wezen. 4

§ 89. T. a. v. verbintenissen tot het geven van een zekere en bepaalde zaak hebben wij hier dus.een duidelijk en logisch gesloten stel denkbeelden gevonden aangaande den aard der obstakels, die overmacht kunnen 5 opleveren. 6 Is de levering alleen maar moeilijker, zij het zeer veel moeilijker, geworden, of kan zij alleen geschieden ten koste van veel grooter opofferingen dan den debiteur bij het aangaan der overeenkomst voor oogen hebben gestaan, dat alles kan nooit overmacht opleveren. 7 Wij

1 Zie b.v. Hof 's-Gravenliage 29 Oct. 1928, N. J. 1929, 513.

2 H. R. 2 Nov. 1917, W. 10194; N. J. 1917, 1103.

3 B. v. rb. Amsterdam 7 Dec. 1917, N. J. 1918, 173.

4 B. v. rb. den Haag 18 Dec. 1923, N. J. 1924, 943; Hof den Bosch 8 Jan. 1924, N. J. 1924, 617.

5 Dat zij het niet in alle gevallen doen, zal in de volgende § § blijken.

6 De dief kan zich nooit op overmacht beroepen tegenover den bestolene, die de ontvreemde zaak opvordert of daarvoor schadevergoeding vordert. Zie het vierde lid van art. 1480. De bepaling toont aan, dat de wet hier niet alleen aan de verbintenis uit overeenkomst, doch ook aan die uit de wet heeft gedacht.

7 Is dit — zal mogelijk iemand vragen — niet een bedenkelijk argument a contrario? Een argumentum a contrario is het, doch in dit geval steekt in het bezigen dezer redeneering niets bedenkelijks. Wat toch zou art. 1480 wel kunnen beteekenen, indien daarnaast nog andere, minder gewichtige, bezwaren denzelfden invloed zouden uitoefenen ?

Sluiten