Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

mogen, vooral nu de artt. 1280 en 1281 in dit opzicht geen andere scheidslijn hebben, dan wordt aangegeven door de verwijzing naar het historische overmachtsbegrip, de uit art. 1480 afgeleide denkbeelden zeker algemeen toepassen en ze ook ten grondslag leggen aan de beantwoording van de overmachtsvraag bij de verbintenisvormen, welke in art. 1480 niet worden genoemd.

§ 90. In de eerste plaats komen de genusschulden in aanmerking. Zoolang de soort, waartoe de verschuldigde zaken behooren, bestaat en de mogelijkheid gegeven is ze ook te brengen naar de plaats, waar nakoming moet plaats hebben, zal hier van onmogelijkheid geen sprake kunnen zijn. Gaat de hoeveelheid goederen, welke de debiteur bestemd had om aan zijp leveringsplicht te voldoen, te niet, hij zal zich op zijn kosten een andere hoeveelheid van dezelfde soort kunnen en moeten aanschaffen. Is inmiddels de prijs gestegen, dat is geen verontschuldiging. Zelfs niet indien de transactie hem dientengevolge verlies in plaats van winst brengt. Doch men heeft soortverbintenissen in soorten. In de eene wordt de soort, waartoe de goederen moeten behooren, veel ruimer omschreven dan in de andere. Men vergelijke b.v. eens de verplichting om een kist wijn van een bepaalden jaargang van een bepaalden wijnberg te leveren met die tot levering van een hoeveelheid Argentijnsch graan of een lading Amerikaansch grenenhout. In het eerste geval zal veel eerder volstrekte onmogelijkheid van praestatie intreden dan in de beide laatste.

§ 91. Over verbintenissen om te doen spreekt art. 1480 niet. De uit dit artikel afgeleide beginselen geven echter ook t. a. v. deze verbintenissen een bruikbaren leidraad. Ook daarbij kan men een onderscheiding maken tusschen vervangbare en niet-vervangbare praestaties. De laatste zijn dus die, welke door den debiteur persoonlijk moeten worden volbracht. Dat zijn in den regel de verbintenissen voortspruitende uit overeenkomsten, welke met het oog op de persoonlijke eigenschappen van den debiteur zijn aangegaan. Een kunstschilder moet zelf het bestelde portret schilderen; de in consult geroepen medicus kan zijn plaats niet door een collega doen innemen. Men zie art. 1639a B. W., waar dit beginsel t. a. v. de arbeidsovereenkomst wordt uitgesproken v. z. v. den arbeider betreft. Hier zal dus een verhindering, welke den debiteur persoonlijk betreft (b.v. ziekte of licha-

Sluiten