Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

melijk letsel), tijdelijk of blijvend x) overmacht kunnen opleveren (vgl. 1638c), gelijk de dood van den debiteur de overeenkomst en ook de daaruit inmiddels gesproten, doch nog niet vervulde, verbintenissen zal doen eindigen (1639/).

Heeft hij echter een werk aangenomen, waarbij het alleen op het resultaat aankomt, welk resultaat evengoed door een ander kan worden bereikt, dan zal meer gelijkenis met een genuspraestatie bestaan. De ziekte van den metselaarsknecht levert voor den aannemer geen overmacht op. Deze zal een zijner andere arbeiders moeten zenden om het aangenomen werk binnen den afgesproken tijd af te maken. 2 Alleen indien, ook tegen betaling van hoog loon, geen arbeider te krijgen zou zijn, voldoende bekwaam om het werk te verrichten,3 zal de patroon zich op overmacht kunnen beroepen.

De wettelijke of moreele overmacht kan ook t. a. v. deze verbintenissen voorkdmen. De praktijk is bovendien geneigd deze uit te breiden tot die gevallen, waarin de debiteur zich, door aan zijn verplichting te voldoen aan een zeer groot gevaar zou moeten blootstellen of waarbij nakoming een al te zware eisch aan zijn geestkracht zou stellen (de acteur die weigert op te treden, omdat zijn kind stervende is of juist overleden) 4. Evenals in art. 1480

1 Onder ziekte is ook geestesziekte te begrijpen. Er is echter geen reden, waarom men, zooals meer dan eens geschied is, aan krankzinnigheid een veel grootere werking moet toekennen dan aan andere ziekten. Slechts indien het juist ware dat schadevergoeding slechts verschuldigd kan zijn wegens schuld van den aangesprokene, zou zoo'n ruime werking der krankzinnigheid verklaarbaar zijn. Dan toch zou de geestesziekte het bestaan van schuld onmogelijk maken. Dat is evenwel niet het standpunt van onze wetgeving.

2 Zie iets dergelijks in 480 en 529 K. Ook indien in de overeenkomst één wijze van uitvoering in het bijzonder is genoemd, doch het blijkbaar niet de bedoeling is, dit als de eenig mogelijke voor te schrijven, moet, als uitvoering op de aangegeven wijze onmogelijk wordt, een andere wijze van uitvoering worden gezocht. Zie bv. rb. Breda 14 Jan. 1919, N. J. I9I9j 382.

3 Zooals in enkele sterk gespecialiseerde beroepen wel eens zal voorkomen.

4 Gelijk echter van Goudoever (Asser-van Goudoever blz. 138) terecht opmerkt, kent wel de wet soms aan dergelijke gevallen beteekenis toe, b.v in de artt. 16390,^ en q (vgl. de artt. 436, 437, 439, K. nieuw, vastgesteld bij de wet van 14 Juni 1930, S. 240); 16390;; 1763, 1854, doch nooit zoo, dat het intreden dezer omstandigheden zelf reeds de verbintenis schorst of doet ophouden. Soms moet hij opzeggen, vaak ook kan hij alleen na machtiging des rechters zich bevrijd achten. Zie ook art. 440 K

Sluiten