Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

de practische onmogelijkheid met de physieke werd gelijk gesteld, geschiedt dit hier t. a. v. de moreele. Bij de verbintenissen om niet te doen eindelijk kan overmacht voorkomen, indien uitwendige dwang, wettelijk gebod, of — wat practisch gesproken met feitelijken dwang gelijk staat — groot gevaar, den debiteur beweegt om datgene te doen, wat hij volgens zijn verbintenis moest nalaten.

§ 92. In de voorgaande paragrafen zagen wij, in welke gevallen van bevrijdende overmacht sprake kan zijn. Ware daarmede alles gezegd, de vroegere beschouwingen over schuld en risico zouden overbodig zijn geweest. Dat zijn zij echter niet. Wij gaan er thans toe over hun invloed op den hierboven gevonden fundamenteelen overmachtsregel te bespreken. Want al kan onmogelijkheid, of wat daarmede practisch gelijkstaat, overmacht opleveren, dat wil niet zeggen, dat indien er maar onmogelijkheid tot praesteeren bestaat, ook altijd overmacht aanwezig zal zijn. Om als overmacht te kunnen gelden is óók noodig, dat de debiteur aan het intreden van deze verhindering geenerlei schuld heeft. Zelfs de meest volstrekte onmogelijkheid van nakoming ontheft den debiteur dus niet van zijn verplichtingen, indien deze debiteur daaraan schuld heeft. Dat zegt art. 1480 met zoovele woorden, terwijl art. 1280 dit voorbehoud begrijpt onder den algemeenen eisch, dat de verhindering der praestatie den debiteur niet kan worden toegerekend. Schuld nu heeft de debiteur niet alleen, indien hij de zaak, die het object der verbintenis uitmaakte, opzettelijk deed te niet gaan (zie art. 1272 B. W.), doch, zooals wij vroeger zagen, ook indien hij de voorzorgen heeft nagelaten, welke een goed huisvader ter voorkoming of afweer van het ingetreden onheil zou hebben genomen of iets heeft gedaan, wat een, volgens het model van den goeden huisvader handelende, debiteur zou hebben nagelaten. Daarbij behoeft de nalatigheid of onvoorzichtigheid niet de rechtstreeksche oorzaak van de verhindering te zijn geweest. Ook een meer verwijderd verband is voldoende.1

1 Een autoreparateur kon de hem ter herstelling toevertrouwde auto niet teruggeven, wijl deze door een derde was aangereden en vernield. Toch faalde zijn beroep op overmacht, omdat de aanrijding plaats had, toen de reparateur in de herstelde auto een pleizierrit was gaan maken,

v. Brakel, Verbintenissenrecht. g

Sluiten