Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Art. 1480 spreekt niet alleen van het toeval, waardoor de verschuldigde zaak te niet gaat, doch eischt een „onvoorzien" toeval. Ook elders vinden wij het denkbeeld uitgesproken, dat voorziene of voorzienbare onheilen geen ontheffing van den praestatieplicht medebrengen. Was de hindernis te voorzien, dan heeft de debiteur er ook rekening mede gehouden of kunnen houden, dat dit evenement zich zou voordoen. Door desondanks zonder voorbehoud zich tot de praestatie te verplichten, heeft hij het risico daarvoor op zich genomen, of, om de woorden van art. 1280 te gebruiken, deze oorzaak mag den debiteur worden toegerekend. Deze consequentie wordt door de rechtspraak, welke steunt op een langjarige traditie \ dan ook zonder aarzelen getrokken.2 Men kan zeggen: ook de crediteur heeft deze mogelijkheid van belemmering dan kunnen voorzien en daaraan de vraag verbinden, waarom men dan onderstellen moet, dat de debiteur en niet dé crediteur hier het risico op zich neemt?3 Het antwoord is echter eenvoudig: omdat de wet aldus bepaalt, door onvoorzienbaarheid te eischen.

Al te streng mag men evenwel bij het stellen van den eisch der niet-voorzienbaarheid niet zijn. Indien men zou redeneeren, dat alles, wat gebeurt, ook mogelijk blijkt te zijn en men dus'met iedere mogelijkheid, hoe onwaarschijnlijk ook, moet rekening houden, dan zou men het geheele overmachtsbegrip wel kunnen opbergen. Men gaat echter te ver naar den anderen kant, door voorzienbaarheid gelijk te stellen met waarschijnlijkheid. De ,eisch zal dus deze moeten zijn, dat de mogelijkheid van het intreden der verhindering niet zoo onwaarschijnlijk was, dat zij mocht worden verwaarloosd door een accuraat, voorzichtig en vooruitziend man, die op de hoogte is van de omstandigheden, welke algemeen bekend zijn.

1 Zie Levenbach a. w. § 69 e. v.

2 H R. 23 Dec. 1932, W. 12632; N. J. 1933, 984; Hof Amsterdam 14 Maart 1923, N. J. 1923, 1015; Hof den Bosch 25 Sept. 1917 W 10228 N. J. 1918, 356; Hof den Haag 28 Juni 1918, W. 10294 N J 1918' 1028, rb. Amsterdam 31 Mei 1918, N. J. 1918, 857 en 15 Maart iqis' N. J. 1918, 855. 3 '

3 l.evenbach a. w. 73.

Sluiten