Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Bewijs van overmacht.

§ 96. Het bewijs van het bestaan van overmacht rust op den debiteur. Art. 1280 zegt het met zoovele woorden. In deze bepaling ligt meer opgesloten, dan een enkele verdeeling van den bewijslast. Er blijkt ook uit, dat de crediteur, die nakoming of schadevergoeding vordert, nooit in zijn dagvaarding behoeft te stellen, dat voor den debiteur geen overmacht om te praesteeren bestond. Hij kan afwachten, of de debiteur zich daarop beroepen wil of niet. Doet deze dat niet, doch vergoedt hij de schade, welke het niet-praesteeren heeft veroorzaakt, dan verricht hij ook met een onverschuldigde betaling, doch voldoet hij aan zijn verbintenis. Alleen laat hij na ten volle van zijn rechten gebruik te maken. Daarom mag de rechter ook nooit den debiteur van betaling vrijstellen, indien deze zich niet op overmacht als op een bevrijdende omstandigheid heeft beroepen. Ambtshalve mag de rechter op de overmacht geen acht slaan, zelfs niet al zouden toevallig in het geding feiten gebleken zijn, welke naar des rechters meening een beroep op overmacht zouden rechtvaardigen.

Om het bewijs te leveren, dat aldus op den debiteur wordt gelegd, zal deze moeten aantoonen, dat de feiten aanwezig zijn, welke volgens de wet overmacht opleveren. Hij moet dus in de eerste plaats het bestaan van een omstandigheid aantoonen, welke de praestatie onmogelijk maakte. Verder dat deze verhindering niet te voorzien was en ten derde dat hij aan het intreden geenerlei schuld had.1 Dit bewijs schijnt zwaarder dan het is. De vraag der al of niet voorzienbaarheid kan in den regel door den rechter worden beantwoord op grond van zijn eigen ervaring, in verband met de ten processe vaststaande feiten; de afwezigheid

1 Daarom wordt brand, zonder meer, ook niet als een overmacht opleverend feit beschouwd. Er moet ook blijken, dat de brand niet door de schuld van den debiteur is ontstaan en dat bovendien al het mogelijke is gedaan haar te blusschen en te beperken. Zie H. R. 3 Dec. 1875, W. 3925 en 7 Febr. 1913, N.J. 1913, 47I.W. 94<?i (anders, voorhetgeval van huur, art. 1601). Diefstal levert evenmin per sé overmacht op. Dat is eerst het geval, indien blijkt, dat die gepleegd is door anderen dan eigen personeel en dat alles is gedaan, wat redelijkerwijze verlangd kan worden om diefstal te voorkomen (rb. Amsterdam 29 Nov. 1918, N. J. 1919, 610, evenzoo rb. Rotterdam 5 Jan. 1923, W. 11073).

Sluiten