Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

drongen. De risicovraag staat op den voorgrond. Gaandeweg is de dosis risico, welke op de schouders van den debiteur wordt gelegd, daarbij aanmerkelijk verzwaard. Doch eenige vastheid van regel is er niet. Hoe de rechter zal beslissen is vaak even onvoorzienbaar als het evenement, naar aanleiding waarvan de beslissing werd gevraagd.

Het eenige wat vaststaat is, dat men langs den hierboven geschetsten weg aan de wettelijke bepalingen betreffende overmacht feitelijk iedere regelgevende kracht heeft ontnomen. Doch de rechtspraak heeft de daardoor verkregen vrijheid niet benut om in een nieuwe, goed doordachte formule haar opvattingen uit te spreken en zoo voor volgende gevallen leiding te geven. Ook practische gronden kunnen dan niet meer voor deze, met zeer veel risico aangevulde, inspanningsleer worden aangevoerd.1 Noch op ' theoretische, noch op practische overwegingen kan men dus in de rechtspraak een grond vinden om af te wijken van de resultaten, waartoe wij hierboven door simpele ontleding der wet kwamen.'

Gevolgen van de overmacht.

§ 98. Uit art. 1480 zou men bij oppervlakkige behandeling kunnen afleiden, dat overmacht de verbintenis eens en voor goed doet te niet gaan. Men bedenke echter, dat in het daar in de eerste plaats genoemde geval een definitieve ontheffing van den praestatieplicht van zelf sprekend is. Een zekere en bepaalde zaak, die vernietigd is, kan, ook later, niet meer geleverd worden. T.a. v. de beide andere gevallen kan het anders zijn. Al denkt men bij het „buiten den handel raken" allereerst aan een blijvenden toestand, een wettelijk verbod kan van tijdelijken aard zijn, de verloren zaak kan worden teruggevonden. Voor die gevallen neemt men dan ook aan, dat de overmacht niet noodwendig voor altijd de verbintenis doet te niet gaan, doch dat de werking afhangt van den aard der

'Men vindt dan ook in de rechtspraak begrijpelijkerwijze reeds een enkele maal een uitspraak, welke een terugkeer naar de oude" over machtsleer aankondigt. Zoo in het vonnis van den Rotterdamschen kantonrechter Tieeeman medegedeeld bij het vonnis der arr.rb. aldaar van 1 Maart 1929 N. J. 1929, blz. 026. De kantonr. omschrijft daar overmacht als: objectieve onmogelijkheid van den schuldenaar 0111 zijn verplichting na te komen. 'J

Sluiten