Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Eigenlijk ligt deze vraag buiten die der overmacht. Zoodanige verandering van omstandigheden, die zelf niet het karakter van overmacht draagt, kan zich immers ook voordoen, zonder dat te voren door overmacht de praestatieplicht is geschorst geweest. Daarom thans daarover slechts een paar opmerkingen. Men heeft het herleven van den praestatieplicht in de eerste plaats willen ontkennen met een beroep op de z.g. „clausula rebus sic stantibus", de onderstelde partijbedpeling, om de afspraak slechts te doen gelden, zoolang geen aanmerkelijke wijziging in de omstandigheden intreedt. Men noemt dit ook wel het stilzwijgend vervalbeding. Een dergelijke onderstelling is echter nooit meer dan een fictie.1 In de gevallen, waarin deze gemeenschappelijke bedoeling bij uitzondering kan worden aangenomen, zal zij in de formuleering van het contract ook wel hare uitdrukking hebben gevonden.2 Het beroep op deze onderstelde clausule dient metterdaad dan ook zelden of nooit om de gemeenschappelijke partijbedoeling te realiseeren, doch om door het construeeren van zoo'n bedoeling een der partijen te ontheffen van een overigens stevig vaststaande verbintenis. 3 Men heeft het daarom ook wel over een anderen boeg gewend en niet meer in de partijafspraak, doch rechtstreeks in de wet, een grondslag voor zoo'n beslissing gezocht. Men meende die dan te vinden in den regel, dat overeenkomsten te goeder trouw moeten worden ten uitvoer gelegd

1 Zie de praeadviezen van Fruin en meijers voor de Ned. Jur. Ver. iqi8 en LEVENBACH, hoofdstuk iii. H. R. 17 Dec. 1926, N. J. 1927, 257; W. 11620 verwerpt deze theorie.

2 Het zal dan veelal een ontbindende voorwaarde zijn.

3 Wel komen in onze wet bij de behandeling der bijzonderlijk geregelde overeenkomsten bepalingen voor, die bij aanmerkelijke wijziging der verhoudingen wijziging van de verhouding, waarin pp. tot elkaar staan, mogelijk maken. Vooral bij contracten, die vaak of in den regel pp. voor langeren tijd aan elkaar binden. Dat kan ook het koopcontract doen, doch bij deze overeenkomst heeft de wetgever daaraan niet gedacht. Bij huur ontbreekt eveneens een uitdrukkelijke bepaling doch zou men met behulp der artt. 15863 of 1589 toch een heel stuk kunnen komen (vgl. Meyers, Praeadvies Ned. Jur. Ver. 1918, blz. 152 e. v.), terwijl de artt . 1628 e. v. ingeval van misoogst den pachter te hulp komen. (Van de Crisispachtwet, die een maatregel van tijdelijken aard is, maak ik hier slechts pro memorie melding). Bepaaldelijk vinden wij echter bepalingen, die toestaan bij sterk gewijzigde omstandigheden het contract te beëindigen bij maatschap (1684); bewaargeving (1763), bruikleen (1788), arbeidsovereenkomst (1639221), 440 K., 464 K., 520a—520e K.

Sluiten