Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

zaak de crediteur het risico van het vergaan of de beschadiging der zaak draagt vanaf het sluiten der overeenkomst.1 Uit die bepaling leidde men dan af, dat het vergaan der zaak de verplichting tot de tegenpraestatie onaangetast laat. Deze conclusie schijnt echter gewaagd. Niet alleen staat er in dit artikel over de cegenpraestatie niets te lezen, het ligt ook eerder voor de hand om aan te nemen, dat in deze af deeling, waar alleen over de verplichtingen, niet over de rechten, des debiteurs wordt gehandeld, over het al dan niet te niet gaan van het recht op de tegenpraestatie gezwegen wordt. Sterker schijnt een argument ontleend aan art. 1481, dat den schuldenaar, wiens verbintenis door een der in art. 1480 genoemde oorzaken is te niet gegaan, verplicht, aan den crediteur af te staan de vorderingen tot schadevergoeding, welke de debiteur deswege tegen derden kan doen gelden. Welke reden zou er kunnen zijn, den crediteur deze rechten over te dragen, indien deze door het te niet gaan van het object der praestatie tevens van zijn eigen verplichtingen ontslagen werd? De crediteur zou daardoor immers zonder eenige tegenpraestatie zijnerzijds worden verrijkt en de debiteur verarmd, zoodat hij dubbele schade zou lijden.

Het artikel schijnt dus uit te gaan van de onderstelling, dat de verplichtingen, welke op de tegenpartij rusten, onverminderd blijven voortbestaan.

§ 100. Dit is een zeer begrijpelijke regeling in die gevallen, waarin een eenzijdige verplichting van den debiteur bestond. Dat de schenker, die door overmacht verhinderd is zijn belofte na te komen, de bewaarnemer en bruikleener, die de in bewaring of in bruikleen gegeven zaak niet kunnen teruggeven, hun eventuele rechten tegen hen, die de zaak vernielden of onteigenden, aan den begiftigde of den eigenaar der zaak moeten afstaan, schijnt niet anders dan billijk. Evenzoo schijnt het geheel in den haak, dat de eigenaar, ondanks het te niet gaan der in bewaring of in bruikleen gegeven zaak, verplicht blijft den bewaarnemer of bruikleener de kosten te vergoeden, welke deze inmiddels tot behoud

'Vgl. Asser-van Goudoever blz. 141. Dat ook art. 1480 hier niet het antwoord kan geven, zooals Diephuis x, blz. 712—714 meent, wordt daar ter plaatse terecht betoogd.

Sluiten