Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

der zaak mocht hebben gemaakt (artt. 1765 en 1789) en de schade te vergoeden, welke de bewaring of het bruikleen dezen mocht hebben toegebracht (artt. 1765 en 1790). Bij dergelijke, z.g. toevallig wederkeerige, overeenkomsten is het dus ook zeer goed verklaarbaar, dat'opheffing van den praestatieplicht aan de eene zijde geen invloed heeft op de verplichtingen,, welke op de tegenpartij rusten. In deze gevallen hangen de wederzijdsche verplichtingen niet zóó nauw samen, dat ze als eikaars equivalent kunnen worden beschouwd.

Anders is het echter bij wederkeerige overeenkomsten, waar de beide praestaties tegen elkaar worden uitgewisseld. Met de meeste schrijvers en jurisprudentie zijn wij van oordeel, dat daarbij uit het begrip der wederkeerige overeenkomst volgt, dat het wegvallen van de verplichting tot praestatie aan de eene zijde ook die tot het verrichten der tegenpraestatie doet vervallen en dat dit beginsel een beperking aanbrengt op den regel van art. 1481.

Dat dit bij wederkeerige overeenkomsten inderdaad regel is, volgt niet alleen uit speculatieve beschouwingen over het wezen der wederkeerige overeenkomst, beschouwingen die weinig waarde zouden hebben, indien zij met positieve bepalingen van onze wet in strijd zouden zijn, doch ook uit verscheiden bepalingen, welke t. a. v. dit punt bij de regeling der bijzondere contracten voorkomen. Bij ruiling (art. 1581), maatschap (art. 1685), arbeidsovereenkomst (art. 16380), is uitdrukkelijk bepaald, dat de tegenpraestatie vervalt. Bij huur volgt het uit 15863 of 1589. Alleen bij koop is het anders (art. 1496). Doch deze bepaling, die slechts door zijn ouderdom eerbiedwaardig schijnt, wordt tegenwoordig dan ook algemeen als een anomalie beschouwd.1

1 Zie over deze bijzondere regelingen uitvoerig Asser-van Goudoever blz. 143—147 en Meyers Praeadvies Ned. Jur. Ver. 1918 blz. 147 e. v. Aan art. 1300, dat hierbij vaak ter sprake wordt gebracht, ken ik in dit verband geen groote beteekenis toe, omdat de daar gegeven regeling verband houdt met het zwevend karakter der voorwaardelijke verbintenis, zoolang niet de opschortende voorwaarde vervuld is. Zie AssERvan Goudoever blz. 142.

Sluiten