Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

§ io6. Plaats voor de risicogedachte vond men door er op te wijzen, dat een daad, die op zich zelf niet ongeoorloofd behoeft te zijn, toch de mogelijkheid kan doen ontstaan, dat zekere onvoor-1 ziene schadeveroorzakende gebeurtenissen zullen intreden. Zoo'n daad veroorzaakt m. a. w. gevaar. Wie met een automobiel op den openbaren weg gaat rijden, veroorzaakt daardoor, ook al heeft hij alle denkbare maatregelen genomen om zich van de betrouwbaarheid van den wagen te overtuigen en al rijdt hij met de allergrootste voorzichtigheid, toch altijd een te voren niet bestaand gevaar voor zich en anderen. Als gevolg van een te voren niet te constateeren gebrek in het materiaal kan ook de voorzichtigste rijder, geheel buiten zijn schuld, een ongeluk veroorzaken. De omstandigheid echter, dat hij tot eigen nut of genoegen het gevaar voor dit ongeval deed ontstaan door met zijn wagen op den weg te komen, kan echter de grondslag van zijn aansprakelijkheid vormen. Zoo is door de theorie der „gevaarzetting" of van het „eenzijdig verhoogde risico" ook hier aan de risicogedachte een belangrijke rol toebedeeld.1

Laat onze wet echter voor een dergelijke toepassing van het overmachtsbegrip bij de onrechtmatige daad ruimte? M. i. behoeft daaraan niet te worden getwijfeld. Juist bij de aansprakelijkheid voor zaken, dieren en voor de gevolgen van het instorten van een gebouw — en dit zijn juist de gevallen waarin van „gevaar veroorzaken" het eerst gesproken zal worden — schijnt deze ruime aansprakelijkheid door de wet zelf gesanctioneerd. 2 Hetzelfde doet art. 25 der tegenwoordige motor- en rij wiel wet. 3

1 Zie P. Scholten, Schadevergoeding buiten onrechtmatige daad (1899), Bruins, Een onderzoek naar den rechtsgrond der schadevergoeding (1905), alsmede de artikelen van van Oven in N. J. B. 1926, blz. 109, 1931 blz. 253, 1932 blz. 145.

2 Zie het duidelijke overzicht van den stand dezer quaestie in Frankrijk en bij ons in het opstel van Mr. S. J. Pit, „De aansprakelijkheid voor schade . . . enz." in R. M. 1931. Voorts van Oven in N. J. B. 1926 blz. 109; N. J. B. 1931 blz. 253. De Hooge Raad is echter tot dusverre van een andere meening. Hij gaat niet verder dan — en dat nog niet eens in alle gevallen door de artt. 1403 en 1404 bestreken — een wettelijk vermoeden van schuld, waardoor dus het bewijs van onschuld op de tegenpartij wordt gelegd. Alleen t. a. v. art. 1405 oordeelt de H. R. anders. Vgl. de arresten van 15 Febr. 1907, W. 8500, Hoetink n°. 103 en 15 Oct. 1915, W. 9937 (m. o. meyers); 2 Jan. 1931, W. 12255, N. J. 1931, 348 (Hoetink n°. 104); voor art. 1405 het arrest van 29 Mei 1925, n°. 11424, N. J. 1925, 75°-

3 Zie daarover Van Oven in N. J. B. 1932 bl. 145.

Sluiten