Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

HOOFDSTUK VIII. Het tenietgaan van verbintenissen.

§ 107. De vierde titel van het derde boek behandelt het te niet gaan van verbintenissen. Hij begint met een opsomming der verschillende mogelijkheden (art. 1417). Eerst worden genoemd vijf wijzen van betaling welke den schuldeischer metterdaad de praestatie verschaffen, waarop hij recht heeft: betaling; aanbod van gereede betaling, gevolgd door consignatie; schuldvernieuwing; schuldvergelijking; schuldvermenging. Daarop volgt de kwijtschelding, d. i. de vrijwillige afstand door den schuldeischer van zijn vorderingsrecht en ten slotte worden vier gevallen genoemd, waarin de debiteur van zijn verplichting tot praestatie wordt ontheven (te niet gaan der verschuldigde zaak, verjaring x) of waarin de verbintenis vervalt, omdat haar grondslag, de overeenkomst waaruit zij voortsproot, wordt aangetast (vernietiging en de vervulling eener ontbindende voorwaarde) 2. In deze beide laatste gevallen toch, wordt de overeenkomst geacht nooit te hebben bestaan. Daarmede vervallen ook alle uit die overeenkomst voortgevloeide verbintenissen. Ook deze worden geacht nooit te hebben bestaan. Zij behoeven dus niet meer te worden nagekomen en de nakoming, welke reeds heeft plaats gehad, kan ongedaan worden gemaakt.

Men heeft meer dan eens deze opsomming onvolledig genoemd, vooral omdat zij geen melding maakte van den dood van den debiteur, welke een einde maakt aan sommige overeenkomsten

1 Blijkbaar onderscheidt de wet hier niet tusschen verjaring en verval, doch begrijpt zij het laatste onder het eerste.

2 De ontbinding ex art. 1302 is naar de meening van den wetgever, blijkbaar hieronder begrepen.

Sluiten