Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

denaar". Hij moet zich er van bewust zijn eens anders schuld te voldoen. Voldoet zoodanige niet-belanghebbende in dwaling een schuld, welke hij voor zijn eigen schuld houdt, doch die in werkelijkheid de schuld van een ander is, dan is de schuld van dien ander niet gekweten en kan hij de verrichte praestatie, als onverschuldigd gedaan, van den crediteur terugvorderen (art. 1395 e. v.).

§ in. Buiten dit geval, treedt ook bij betaling door een derde, belanghebbend of niet, voor den crediteur altijd hetzelfde gevolg in: hij is voldaan en verliest dus de mogelijkheid daarna zelf zijn vorderingsrecht tegen zijn schuldenaar uit te oefenen. Of de schuldenaar echter van zijn verplichting ontslagen is, is een andere vraag. Mogelijk treedt degeen die voor hem betaald heeft tegenover hem in de rechten, die de schuldeischer te voren op hem — zijn schuldenaar — had. Uit is de subrogatie, die hetzij uit de wet zelf voortvloeit, hetzij bij de betaling door den crediteur wordt geconsenteerd. Het kan ook zijn, dat tusschen den schuldenaar en hem, die betaalde, reeds vroeger een zoodanige rechtsband bestond, dat de betaling, door den laatste geschied, dezen een recht geeft het betaalde geheel of gedeeltelijk van den eerste terug te vorderen. Scherp redeneerend moet men beide mogelijkheden ongetwijfeld uit een houden. Het is echter de vraag of de wet dit ook altijd gedaan heeft. 1

§ 112. Na de vraag, wie betalen mag 2, komt die: aan wien be-

1 De vraag wordt behandeld in § 130 bij de afzonderlijke bespreking der subrogatiebepalingen en verder bij de hoofdelijkheid, die in het volgende stuk van dit werk zal worden behandeld.

2 Op het ongelukkig geformuleerde en vrijwel overbodige artikel 1420 ga ik niet in. Het eerste lid is niet anders dan een herhaling of toepassing van art. 639 en slechts juist, indien men tevens in het oog houdt, dat art. 2014 een aanmerkelijke inbreuk op den neergeschreven rechtsregel inhoudt. Het laatste ware beter op zijn plaats bij de artt. 1395 e. v., die over de onverschuldigde betaling handelen. Het kan als een aanvulling van die artikelen worden beschouwd. Een afwijking van de daar gegeven regelen houdt het alleen in, indien men met Diephuis (X blz. 485) en Opzoomer (VII blz. 25) aanneemt, dat hier in principe een terugvorderingsrecht aan den debiteur wordt toegekend. En dat de crediteur, die niet datgene gekregen heeft, waarop hij recht had, na de ontdekking der gebreken, die aan de levering kleefden, alsnog nakoming kan vorderen, staat ook van elders vast. Zie over dit artikel behalve de geciteerde bespreking bij Opzoomer nog Land-Lohman blz. 372 e. v!

Sluiten