Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

taald moet worden. Daarover handelen de artikelen 1421—1423.1 Voorop staat natuurlijk, dat betaling kan en moet geschieden aan den crediteur. Doch het kan, nadat het vorderingsrecht krachtens erfopvolging of op andere wijze, op een ander is overgegaan of beweerd wordt te zijn overgegaan, wel eens twijfelachtig zijn, op wien het is overgaan en zelfs of er wel een rechtsgeldige overgang heeft plaats gehad. Een later gemaakt testament kan alle rechten vernietigen, die men aan het eerstgevondene meende te kunnen ontleenen. Een cessie kan onder dwang zijn tot stand gekomen. De schuldenaar kan niet van alle bijzonderheden, welke op dien overgang van rechten betrekking hebben, op de hoogte zijn. Indien hij nu, op den schijn afgaande, aan den pseudo-erfgenaam of den pseudo-cessionaris heeft betaald, moet hij, dan, nadat de ware toestand is gebleken, nog eens betalen? Daarvoor behoedt hem art. 1422, dat een betaling geldig verklaard, welke te goeder trouw gedaan is aan iemand, die „in het bezit is der inschuld."

Wat wordt daarmede bedoeld? Wanneer kan men zeggen, dat iemand in het bezit is der inschuld? Zeker niet alleen, indien hij houder is van een aan toonder gestelden titel. Veeleer moet men „inschuld" hier opvatten als „vorderingsrecht." Mogelijk kan men dat nader omschrijven, door te eischen, dat hij, naar den uiterlijken schijn te oordeelen, volgens de gebruikelijke verkeersopvattingen als rechthebbende mag worden beschouwd. 2 3

§ 113. Dat overigens een betaling, gedaan aan een ander dan den crediteur in persoon, den debiteur slechts bevrijdt, indien

1 Eigenlijk ook art. 1424, dat den invloed bespreekt, welke twee executiemaatregelen, beslag en oppositie, ten nadeele van den crediteur hebben. Een duidelijke behandeling van dit artikel zou een uiteenzetting van de beginselen van ons materieele executierecht vereischen, die hier te veel plaats zou innemen. Zij behoort ook beter thuis in de werken over bet Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering. Een uiteenzetting vindt men ook bij Diephuis X, blz. 492 e. v. en Suyling § 246 (waar ook jurisprudentie). . .

2 Zoo acht de H. R. (3 April 193°. W. 12142, N. J. 193°. 1407) art. 1422 toepasselijk, indien de debiteur dengene, die om betalmg komt,

op redelijke gronden" voor den crediteur mocht houden. " Een goed voorbeeld van toepassing van art. 1422 vmdt men b.v. m Hof 's-Hertogenbosch 24 Sept. 1912, W. 9383-

3 Art 21 van de Bankwet 1919 wijkt van den regel van art 1422 at, voor de verzilvering van bankbiljetten door de Nederlandsche Bank.

Sluiten