Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

sluiten der overeenkomst bevindt. Overigens geldt als algemeene regel, dat voldaan moet worden ten huize van den schuldeischer.1 Deze zou echter, door te verhuizen, de verplichtingen van zijn debiteur zeer kunnen verzwaren. Daarom geldt de regel slechts, zoolang de schuldeischer blijft wonen in de gemeente, waar hij zijn woonplaats had, toen hij de verbintenis „aanging". Verhuizing naar elders heeft tot gevolg, dat de schuld van brengschuld tot haalschuld wordt.

§ 115- Tijdstip van betaling. Over de vraag, wanneer betaald moet worden, bevat de wet hier 2 geen bijzondere voorschriften. De inhoud der verbintenis is beslissend. Men kan er in het algemeen slechts van zeggen, dat, zoo geen tijdstip van betaling (nakoming) is genoemd en daaromtrent, ook indirect, niets uit den aard der verbintenis of uit andere bedingen is af te leiden, nakoming kan worden gevorderd, onmiddellijk nadat de verbintenis is ontstaan.

Van het tijdstip der betaling sprekende, kan men echter ook aan een andere vraag denken, n.1. aan deze: op welk tijdstip kan men zeggen, dat betaald is? In het algemeen is het antwoord op die vraag niet moeilijk. Er is betaald, wanneer de crediteur datgene gekregen heeft, wat hem volgens de verbintenis verschuldigd was. Toch kunnen bij de toepassing van deze eenvoudige waarheid netelige vragen rijzen.

Het kan zijn, dat voor de betaling van een geldschuld gebruik is gemaakt van betaalmiddelen, die, strikt genomen, geen geld zijn, doch slechts geld representeeren. Wie per giro of per postwissel betaalt, geeft zijn crediteur in plaats van het verschuldigde geld een vordering op den Staat der Nederlanden. In den tijd toen de bankbiljetten nog geen wettig betaalmiddel waren 3 was betaling in bankbiljetten ook niets anders dan het verschaffen van een vordering op de Nederlandsche Bank.

1 Dit zal dus ook het geval zijn, indien de verbintenis om een zekere en bepaalde zaak te geven, niet uit overeenkomst doch uit de wet is ontstaan.

2 D. w. z. dat de wet geen algemeen geldende bepaling betreffende het tijdstip van betaling inhoudt. Wel geschiedt dit t. a. v. sommige, bijzonderlijk geregelde, verbintenissen (zie b.v. de artt. i55o, 1777)! soms ook in dier voege, dat de rechter het tijdstip bepaalt (artt 1798' 344*)-

3 Vóór de wet van 18 Juli 1904, S. 189.

v. Beakel, Verbintenissenrecht. in

Sluiten