Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

zijner keuze, alternatief verbonden, hetzij tot betaling in geld, hetzij tot het verschaffen van een vordering. Alleen indien hij in zoo'n geval dit laatste kiest, kan de vraag rijzen, wanneer hij heeft betaald. En dan zal het antwoord zijn: nog niet op het oogenblik, dat hij opdracht gaf tot crediteering of uitbetaling, doch eerst op dat, waarop de bankier het bestaan van een vordering ten gunste van den schuldeischer erkent.

§ 116. Ten slotte de vraag, wat moet worden betaald ? Ook

deze vindt in de eerste plaats haar antwoord in de verbintenis zelve. De schuldenaar moet datgene geven en datgene doen, waartoe hij door de verbintenis verplicht wordt.1 Met een andere praestatie, al is die voor den schuldeischer van grooter waarde, behoeft deze niet genoegen te nemen. 2 Evenmin is hij verplicht met voldoening bij gedeelten genoegen te nemen, als niet uit de verbintenis bepaaldelijk volgt, dat de debiteur daartoe is gerechtigd. 3 Dat alles zou wel niet betwijfeld worden, ook al stond het hier niet geschreven. Even overbodig is art. 1427, dat niets is dan een toepassing van de artt. 1272 en 1273. Art. 1428 geeft evenwel een voorschrift, dat inderdaad nut heeft. Verbintenissen tot het geven van slechts naar hun soort bepaalde zaken, zijn vaak zoo geformuleerd, dat de omschreven zaken in verschillende qualiteiten voorkomen, welke alle voldoen aan de door de verbintenis gestelde eischen. Voor dat geval nu bepaalt genoemd artikel, dat de schuldenaar niet verplicht is zaken van de allerbeste, doch ook niet gerechtigd is zaken van de allerminste qualiteit te leveren.

§ 117. Geldschulden.4 Niet alle verbintenissen, waarbij de debiteur geld of daarmede gelijkstaande geldsurrogaten geven

'En op kosten van den debiteur, voegt art. 1431 er, vrij overbodig, aan toe.

2 Art. 1425. Stemt de crediteur toe in wijziging der praestatie, zoodat de debiteur hetzij de keus krijgt om óf de eerst beloofde, óf de later goedgekeurde praestatie te doen, hetzij zigh verplicht in plaats van de eerstbedoelde iets anders te doen of te geven, dan is een geval van objectieve schuldvernieuwing aanwezig. Zie hieronder § 138.

3 Zie de artt. 1426 en 1335 B. W. Een zoodanig afwijkend beding wordt uitdrukkelijk mogelijk verklaard bij sommige vormen van arbeidsloon (art. 1638/)), en znl dus overigens t. a. v. de loonbetaling niet geoorloofd zijn.

"Zie Suyeing II nos. 139—143; Meyers, Juridische Vragen betreffende het geld, W. P. N. B_. nos. 2831—2833; L. van Praag in W. P N. R. 2842.

Sluiten