Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

moet, zijn „geld"schulden. Indien iemand een oud muntstuk aan een verzamelaar verkoopt, is het die individueel bepaalde zaak welke hij moet leveren. Al zou die oude munt precies evenveel fijn goud bevatten als een thans gangbaar gouden tientje, de verkooper zal zich niet door het overhandigen van zoo'n gouden tientje van zijn schuld kunnen kwijten. In dit geval ging het immers niet in de eerste plaats om de (goud-)waarde en was het niet de strekking (oorzaak noemt onze wet dat) van de overeenkomst om een bepaalde hoeveelheid goud of ruilmiddel over te dragen, doch om den kooper een product van een bepaalde oude muntinstelling te verschaffen. Wie in ruil voor zoo'n oude munt dan ook een hoeveelheid Nederlandsch wettig betaalmiddel aan zijn tegenpartij ter hand stelt, ruilt niet geld tegen geld, doch koopt, d. w. z. verschaft zich tegen geld, een goed, dat géén geld is. Hetzelfde gaat op, indien het gekochte voorwerp thans nog gangbaar geld is en zelfs met het oog op die qualiteit wordt verlangd doch niet is = Nederlandsch wettig betaalmiddel. Wie, vóór hij op reis gaat, eenig geld gaat „wisselen" of zijn bankier opdraagt hem voor f 100 Fransch of Engelsch „geld" te zenden, doet ook niet anders dan een koopcontract sluiten van vreemde muntstukken of vreemd bankpapier.

Een geldschuld bestaat in de genoemde gevallen alleen aan de zijde van den kooper. Voldoet hij niet aan zijn verplichting tot betaling, dan zal art. 1286 het bedrag der vergoeding regelen, welke hij ev. bij veroordeeling tot betaling zal hebben te betalen. Doch dit zelfde zal niet het geval zijn, indien de verkooper van een oude munt of van buitenlandsch geld zijn verplichtingen niet nakomt. Op die verplichtingen is art. 1286 niet van toepassing.

§ n8. „Echte" geldschulden zijn dus die verbintenissen, welke strekken tot het geven van geld en waarbij het aankomt op de waarde van dit geld als zoodanig. Men noemt ze ook wel waardeschulden. Bij de voldoening dezer schulden is het veelal betrekkelijk onverschillig in welke stukken de betaling geschiedt; waarop het aankomt is, dat den crediteur in den vorm van ruilmiddelen een zekere waarde ter beschikking wordt gesteld.

Wat nu „geld" is, wat in de maatschappij als ruilmiddel dienst doet, is eigenlijk geen juridische vraag. Het „geld" is een schepping van het verkeer. Doch in de moderne maatschappij laat de Staat het verkeer, ook in dit opzicht, niet vrij. Aan sommige ruil-

Sluiten