Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

middelen, welke de Staat zelf aanmaakt (de munten), of voor welker deugdelijkheid hij voldoende waarborgen aanwezig acht (de bankbiljetten), geeft hij de qualiteit van wettig betaalmiddel.1 Buitenlandsch geld is dus wel „geld" 2 in den zin van ruilmiddel, doch het is geen wettig betaalmiddel. Die qualiteit wordt door art. 2 der muntwet slechts aan de daar genoemde Nederlandsche munten toegekend. Tevens wordt daar de onderscheiding gemaakt tusschen de muntstukken, die tot elk bedrag wettig betaalmiddel zijn (de z.g. standpenningen) en die, welke deze qualiteit slechts tot beperkt bedrag bezitten (de z.g. pasmunt) 3. Wie in Nederland een „echte" geldschuld te betalen heeft, kan zich dus steeds van zijn verplichting kwijten door, met inachtneming van de beperkingen voor de pasmunt geldende, zijn schuld door middel van de in deze wet aangewezen geldstukken te voldoen. Omgekeerd volgt uit art. 19 der muntwet, dat de crediteur altijd betaling in wettige Nederlandsche munt4 of, dank zij het genoemde wetje van 1904, in bankbiljetten der Ned. Bank mag vorderen. Ook indien de te betalen som in buitenlandsche munt is uitgedrukt, mag men altijd betaling in andere dan Nederlandsch wettig betaalmiddel weigeren en eischen, dat de vordering met een overeenkomstige hoeveelheid Nederlandsch betaalmiddel zal worden voldaan. Nu het muntstelsel in vele landen van de internationale waardemeter, het goud, is los gemaakt, kan het evenwel groot verschil maken of deze omrekening moet geschieden naar den wisselkoers van den dag der betaling, dan wel naar dien,

1 Bij ons geschiedde dit in de Muntwet (wet van 28 Mei 1901, S. 132) en de wet van 18 Juli 1904, S. 189, welke aan bankbiljetten, uitgegeven door de Nederlandsche Bank, de hoedanigheid van wettig betaalmiddel geeft.

2 Zoo ook H. R. 2 Jan. 1931, W. 12259; N. J. 1931, 274. Zie ook art. 19 der Muntwet. Alleen buitenlandsche zilveren, bronzen of koperen munt, mag krachtens dit zelfde artikel, niet tot betaling van echte geldschulden in Nederland worden gebezigd. Deze buitenlandsche pasmunt is dus niet alleen geen wettig betaalmiddel, doch zelfs geen wettig ruilmiddel. Een uitzondering is ook art. 1638/1. Voor de betaling van arbeidsloon is buitenlandsche munt, behalve in de in het tweede lid bedoelde grensgemeenten, derhalve nooit geld en zal omrekening van in buitenlandsche valuta uitgedrukt loon dus verplicht z;jn.

3 Zie art. 2, j° art. 5 der Muntwet.

4 Met zoovele woorden is dit in de wet niet neergeschreven. Het blijkt echter uit art. 19 2e lid, dat zegt, dat de uitzondering betreffende het gebruik van vreemde pasmunt in grensgemeenten, welke in het eerste lid voorkomt, onaangetast laat „ieders" bevoegdheid „ook daar" betaling in wettig betaalmiddel te „eischen".

Sluiten