Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

waarop de vordering opeischbaar werd.1 Het komt mij voor, dat althans in den regel, slechts de dag der betaling hier in aanmerking kan komen. Bestond art. 19 der muntwet niet, dan zou in vreemde valuta kunnen en moeten worden betaald. Art. 19 nu heeft geen ander gevolg, dan dat dat bedrag in buitenlandsch geld op dat oogenblik in Nederlandsch geld wordt omgezet, indien de schuldeischer daartoe den wensch uitspreekt. Het artikel heeft niet de strekking wijziging te brengen in den omvang of waarde der praestatie, doch wil slechts bevorderen, dat indien er geld op tafel komt, dit Nederlandsche munt zal zijn.

Indien de schuldenaar met de betaling draalt, mogelijk juist met het oog op de mogelijkheid van verdere waardedaling der muntsoort, waarin de schuld luidt, onthoudt hij daardoor den schuldeischer niet alleen het verschuldigde, doch beneemt hij deze ook de mogelijkheid van zijn recht tot keuze gebruik te maken. Dat is een schade, welke eveneens het gevolg der wanpraestatie is en daarom, na ingebrekestelling, door den schuldenaar zal moeten worden vergoed. Staat daaraan ait. 1286 niet in den weg ? Te dien aanzien zij er in de eerste plaats aan herinnerd, dat art. 1286 niet reeds, omdat er geld betaald moet worden, van toepassing is. 2 En indien de, in buitenlandsche valuta uitgedrukte, vordering van de soort is, waarvoor art. 1286 geldt, dan regelt dat artikel toch alléén de schade, door vertraagde uitbetaling ontstaan. Het is de vraag of men daartoe ook de in ons voorbeeld ingetreden waardevermindering van het geld moet rekenen. Want het verband tusschen de vertraagde betaling en de schade is hier indirect. Rechtstreeks wordt de schade hier geleden, doordat de debiteur het den crediteur onmogelijk maakte van zijn bevoegdheid, omrekening te eischen, gebruik te maken. Ik meen dus,'dat, t. a. v. deze schade, art. 1286 geheel buiten werking blijft. 3

1 Zie over deze en daarmede samenhangende andere vragen de artikelen van L. van Praag in W. P. N. R. 2763—2766, die van Meyers in W. P. N. R. 2831—2833 en van Praag in W. P. N. R. 2842. Er zijn ook nog andere theorieën. Daarover zie men de eerstgenoemde artikelen van van Praag.

2 Zie hiervóór § 67—69.

3 Men heeft ditzelfde resultaat ook, langs anderen weg, willen bereiken door den crediteur het recht te geven betaling te verlangen volgens den omrekeningskoers van den vervaldag of van den dag der sommatie of dagvaarding. Dat komt er echter op neer, dat men hem het recht toekent reeds voor den dag der betaling zijn keuze te doen en aan het doen dezer

Sluiten