Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

dig en sluit inderdaad de mogelijkheid uit, dat de kooper zich nog veel later op de ondeugdelijkheid van het geleverde zal beroepen.

Doch het beroep op „rechtsverwerking" wordt ook vaak gedaan en niet zelden aanvaard, indien geenerlei beding van dezen aard is gemaakt. Waaruit kan men dan het verlies van recht van den crediteur afleiden? Soms fundeert men dat op een onderstelde verplichting van den kooper om het geleverde goed zoo spoedig mogelijk te onderzoeken. Deze verplichting maakt echter sterk den indruk „pour le besoin de la cause" te zijn uitgevonden. Bovendien, zou zij wel bestaan, dan zou zij toch niet tot de daaruit getrokken gevolgtrekking leiden. Indien toch zoo'n verplichting inderdaad op den kooper rust, doch door hem niet wordt nageleefd, zou dit den verkooper geen andere rechten geven, dan iedere andere contractsbreuk van zijn tegenpartij hem verschaft. Hij zou nakoming of schadevergoeding, eventueel ook ontbinding, kunnen vragen. Doch tevergeefs zoekt men naar een bepaling, die aan dezen specialen vorm van contractsbreuk het uitzonderlijke gevolg van verlies van reclamerecht zou verbinden.

Waarop kan een dergelijk verweer dan wèl worden gegrondvest? Het kan zijn, dat de kooper, door het geleverde goed te keuren, uiting geeft aan zijn opvatting van den omvang der contractueele verplichtingen des verkoopers. Dan is zijn uiting een,zijnerzijds gegeven, nadere uitleg van de overeenkomst en kan hij zich niet meer beklagen, indien later zou blijken, dat de praestatie wèl aan den door hem zelf gestelden eisch, doch niet aan de mogelijk strenger schijnende woorden der overeenkomst, voldoet.

Het kan ook zijn, dat hij op een of andere wijze afstand doet van het recht om zich op eventueele gebreken van het geleverde te beroepen. Legt hij een verklaring van die strekking af tegenover zijn debiteur en wordt deze aangenomen, dan komt een (contractueele) kwijtschelding tot stand. De crediteur heeft zich dan verbonden niet verder een beroep te doen op werkelijk bestaande of vermeende gebreken van het geleverde.1

In dezen duidelijken vorm komen dergelijke verklaringen evenwel zelden voor. Veelal liggen zij meer of minder duidelijk in verklaringen van den crediteur opgesloten, verklaringen, die in gesproken woorden kunnen zijn vervat, doch ook uit daden, ja onder bepaalde omstandigheden ook uit het stilzitten van den

1 De rechtspraak houdt deze verschillende mogelij klieden zelden goed uiteen.

Sluiten