Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

hypotheken ter verzekering van de vordering gegeven en de borgen kunnen aanspreken, welke zich voor den debiteur hebben verbonden. 1

Iets anders dan betaling mag de gesubrogeerde van den debiteur niet vorderen. Met name komt hem niet toe de bevoegdheid ontbinding wegens wanpraestatie te vragen van de overeenkomst, waaruit de verbintenis ontstond. 2 Men heeft den gesubrogeerde dit recht wel willen toekennen, zeggende, dat den crediteur deze bevoegdheid toekwam, omdat de debiteur niet betaalde; dat hij deze bevoegdheid daarop verloor, omdat de derde voor den debiteur betalen kwam en dat dus ook deze bevoegdheid op den laatste overging. M. i. houdt men daarbij echter te letterlijk vast aan art. 1436 e. v., die spreken van de in de plaats stelling in „de" rechten van den schuldeischer. Het valt toch moeilijk aan te nemen, dat de subrogatie dit vèr strekkende gevolg zou hebben. De ontbinding immers tast de geheele rechtsbetrekking aan, waaruit de verbintenis voortvloeide. De gesubrogeerde zou, kende men hem ook dit recht toe, de bevoegdheid hebben, om; ondanks den schuldeischer, de rechten te doen vervallen, welke deze overigens nog aan de overeenkomst zou kunnen ontleenen. 3

§ 128. Het kan zijn, dat de gesubrogeerde, behalve als rechtsopvolger van den schuldeischer, ook uit eigen hoofde het betaalde mag terugvorderen. Veelal zal dit zelfs zoo zijn, want wie voor een ander diens schuld betaalt, zal dit in den regel doen, omdat tusschen den debiteur en hem een rechtsverhouding bestaat, welke hem tot die betaling noopt, doch hem tevens het recht geeft, ook al komt geen subrogatie tot stand, het betaalde van den debiteur terug te vorderen. De betaler heeft dan de keus. Hij

1 Zie art. 1437 en den aanvang van art. 1439.

2 Zie Knap blz. 62—66. Zie een geval van dezen aard uit de praktijk in rb. Zutfen 9 Maart 1922, W. 10881, waar het recht om ontbinding te vragen werd aangenomen. T. a. v. art. 1877, dat slechts een toepassing is van art. 14383 nam de H. R. bij arrest van 11 Dec. 1863, W. 2549 het bestaan van een recht op ontbinding niet aan.

3 Schadevergoeding kan de gesubrogeerde m. i. ook alleen vorderen, indien de debiteur niet nakomt de tegenover den gesubrogeerde ontstane verbintenis en in den omvang, waarin de gesubrogeerde door die wanpraestatie schade lijdt. Vergoeding van schade door den crediteur, geleden als gevolg van het uitblijven der praestatie, kan de gesubrogeerde slechts vorderen, indien hij zelf deze schade aan den crediteur heeft vergoed, in welk geval zijn Aoo/rfvordering tegenover den debiteur zooveel grooter is.

v. Bbakfl, Verbintenissenrecht. 11

Sluiten