Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

gatie moet uitdrukkelijk worden toegestaan, wordt m. a. w. dus niet ondersteld of uit „den aard der zaak", of zoo iets, afgeleid. Voorts moet zij, zal zij geldig zijn, tegelijk met de betaling geschieden. Immers, vindt zij dan niet plaats, dan is de debiteur door de betaling bevrijd. Crediteur en betaler kunnen dit voorkomen door de betalingsplicht te doen voortbestaan. Doen zij dat echter niet, dan kunnen zij de verbintenis, waarvan de schuldenaar ontslagen is, later niet weer doen herleven. De bepaling is natuurlijk van belang voor den debiteur en voor diens andere crediteuren en vermoedelijk zijn het niet alleen theoretische overwegingen, doch tevens de vrees, dat anders bij een dreigend faillissement, als gevolg van samenspanning tusschen den debiteur, den (vroegeren) crediteur en den betaler, mogelijk aan reeds lang doorgehaalde vorderingen nieuw leven zou worden ingeblazen, welke tot behoud van dezen eisch hebben herleid.

Het tweede geval van contractueele subrogatie, dat art. 1437 behandelt, komt — in tegenstelling met het eerste — tot stand door een overeenkomst tusschen den debiteur en den gesubrogeerde, zonder dat de crediteur daartoe zijn toestemming behoeft te geven. De wet staat dit in één geval toe, n.1. indien de debiteur geld leent, met de uitgesproken bedoeling daarmede zijn schuld af te doen. In dat geval is het mogelijk, dat de debiteur den geldschieter in de rechten van den crediteur doet treden — natuurlijk vanaf het oogenblik, dat de geleende gelden inderdaad tot dat doel zijn aangewend — zoodat de vordering van den geldschieter óók verzekerd zal zijn door de hypotheken en borgtochten, welke de afbetaalde vordering versterkten. Ware dit hier niet door de wet mogelijk gemaakt, dan zou zeker betwijfeld kunnen worden of de derde hypotheekgever en de borgen, die zekerheid hadden gegeven voor de schuld tusschen debiteur en crediteur, zonder hun toestemming, nu verbonden konden raken ter verzekering van de schuld, welke de debiteur tegenover den geldschieter aanging. Vermoedelijk is het ook om tegenover deze derden de ten deze in aanmerking komende feiten te doen vaststaan, dat uit authentieke acten moet blijken, zoowel van het feit der geldleening en van de daarbij uitgesproken bedoeling om met het opgenomen geld de eerste schuld af te lossen, als

Sluiten