Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

eindelijk van de aflossing zelve (art. 14372)1. Op deze wijze kan worden bereikt, dat een debiteur, die er wel belang bij kan hebben den eenen crediteur door een anderen, hem beter gezinden, te vervangen, doch die weet, dat de crediteur aan een derde, die komt betalen, subrogatie zeker zal weigeren, dezen derde toch een vordering kan verschaffen, door de zekerheden der oude schuld versterkt.

§ 130. Na de contractueele subrogatie de wettelijke. Deze is, zoo bepaalt art. 1438, in vier gevallen het gevolg van betaling eener schuld door een derde. Het laatste der hier vermelde gevallen vereischt geen toelichting en zal bovendien zeker niet vaak voorkomen. Daarover zullen wij dus zwijgen. Over de andere eenige korte opmerkingen.

Wie eens anders schuld betaalt, wordt, zoo zagen wij, in het algemeen niet gesubrogeerd. Ook niet indien hij zelf eveneens schuldeischer is. Doch krachtens art. 14381 treedt deze subrogatie wèl in en vindt dus, uit kracht dezer wetsbepaling, zonder eenige overeenkomst, subrogatie plaats, indien een crediteur een anderen crediteur afbetaalt, die een beter recht heeft, dan de betaler. Niet ieder „beter" recht komt hier evenwel in aanmerking. De afbetaalde schuld moet haar hoogeren rang danken aan hypotheek, aan wettelijk voorrecht, of wel, zoo besliste de Hooge Raad, aan pand. 2 Is de afbetaalde schuld alleen „beter", omdat daaraan bv. een boetebeding verbonden is, omdat zij door borgtocht is verzekerd, of omdat zij zoo noodig door middel van lijfsdwang kan worden geëxecuteerd, dan treedt géén subrogatie in. De bepaling kan er toe leiden, dat een crediteur, ziende, dat een crediteur, welke een beter recht heeft, zal gaan executeeren, doch tevens overtuigd, dat de goederen van den debiteur bij een latere

1 Dat hier inderdaad de kwijting bedoeld is, bij de aflossing der schuld door den crediteur aan den debiteur af te geven en niet de quitantie, welke bij de ontvangsi van het geleende geld door den leener aan den geldschieter wordt verstrekt, wordt terecht betoogd door Diephuis X, blz. 548, al heeft, bij het tot stand komen der wet, de regeering, blijkbaar in dwaling verkeerende, het tweede gemeend.

2 H. R. 6 Januari 1911, W. 9123. De beslissing is gebaseerd op de „historische en logische" gronden. Voor de eerste zie men het arrest; de laatste bestaan natuurlijk in de overweging, dat er geen reden denkbaar is om bij pand anders te beslissen dan bij hypotheek.

Sluiten