Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

executie meer zullen opbrengen, zoodat ook hij, die een „minder" recht heeft, dan zal worden voldaan, den eerstbedoelden schuldeischer afbetaalt. Hij treedt dan in diens rechten, zoodat hij, v. z. v. mogelijk, de zekerheid verkrijgt, dat hij bij eene eventueel toch noodige executie het aldus aangewende bedrag weer terug zal krijgen. Daardoor handelt hij zoowel in zijn eigen belang als in dat van den debiteur. Dat verklaart en rechtvaardigt deze bepaling.

Het tweede geval, in art. 1438 genoemd, kan door een voorbeeld het best worden duidelijk gemaakt. Wie een met hypotheek bezwaard goed koopt, kan wel veelal, doch niet altijd, zuivering van het goed van de daarop rustende hypotheken vragen.1 Kan het niet, dan zou hij dus den koopprijs aan den verkooper moeten betalen en er aan blootstaan, dat het goed onmiddellijk daarop door den hypotheekhouder, te diens bate, weer in veiling werd gebracht. Hij besteedt dèn koopprijs dus om den hypotheekhouder af te betalen. Indien deze laatste evenwel zou weigeren den kooper te subrogeeren, dan zou deze machteloos staan tegenover den verkooper, die de koopsom vordert. Ook hier behoort dus, zoo redeneert men, subrogatie in te treden, onafhankelijk van den wil van den afbetaalden hypotheekhouder.

Ook indien de kooper het goed gekocht heeft van den, krachtens art. 1223 daartoe gemachtigden, eersten hypotheekhouder zelf, en indien hij dus den koopprijs voldoet door de koopsom aan dezen hypotheekhouder af te dragen, kan deze bepaling voor den kooper nut hebben. Er kunnen n.1. op het goed nog andere hypotheken van lageren rang rusten, die uit de koopsom niet kunnen worden betaald. Die schuiven dan op in rang en de tweede hypotheek wordt een eerste. Doch indien deze (vroegere) tweede hypotheekhouder dan zou willen gaan executeeren, kan de kooper, die in de rechten van den vroegeren eersten hypotheekhouder is getreden, krachtens het op hem overgegane recht vorderen, dat de koopsom allereerst strekke om hem zijn koopsom terug te geven. De nadeelige gevolgen, welke de ongewilde „opschuiving" der hypotheken voor den kooper zou hebben, worden dus door deze bepaling geneutraliseerd.

Eigenlijk wordt dus in geen dezer gevallen een vordering op

1 Zie de artt. 1254 e. v.

Sluiten