Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

betreffende de wettelijke subrogatie, toepassing moeten vinden.1 Dat daaronder vallen: borgen en hoofdschuldenaren, hoofdelijk verbonden schuldenaars en zij, die gezamenlijk tot een ondeelbare praestatie gehouden zijn, wordt vrijwel algemeen aangenomen. 2 Twijfel bestaat of ook hij, wiens goed hypothecair verbonden is voor de schuld van een ander, zich met den hoofdschuldenaar tot voldoening der ^schuld gehouden mag achten, zoodat ook hij, als hij de schuld voldoet, in art. 14383, den grondslag voor een verhaal op den eigenlijken debiteur vindt. Strikt genomen kan men immers wel zeggen, dat al is de vordering op zijn goed verhaalbaar, hij toch zelf eigenlijk niet de betaling schuldig is. Doch al is deze onderscheiding nu in vroeger eeuwen ook wel gemaakt, zij is toch altijd eenigszins kunstmatig en is zeker door vele juristen vaak verwaarloosd, zoodat de erkenning van haar juistheid ons toch niet behoeft te beletten ook den bovenbedoelden „derde bezitter" tot deze groep te rekenen. Evenmin behoeft de historie 3 er toe te leiden hem uit dezen kring te sluiten.

1 Een toepassing en uitwerking der vereischten voor een rechtsband, die verplicht „met of voor" anderen te volfoen, vindt men in de arresten H. R. 30 Januari 1931, W. 12267, N. J. 1931, 764 en 19 Januari 1933, W. 12378, N. J. 1933, 1757. In het laatste arrest wordt vereischt, dat het öf de schuld is van één en de anderen gehouden zijn, die voor hem te voldoen, öf een schuld, die, naar de onderlinge verhouding, gemeenschappelijk moet worden gedragen (het met elkander gehouden zijn).

2 T. a. v. de hoofdelijk verbonden debiteuren bestaat verschil van meening of dit voorschrift een nadere uitwerking vindt in art. 1329 B. W., dan wel of beide voorschriften, naast elkaar en los van elkaar, aan deze mededebiteuren een verhaalsrecht toekennen. Daarover zal worden gesproken bij de behandeling der solidariteit in het tweede stuk van dit werk.

3 Zie daarover van Oven in x. J. B. 1929, blz. 393 e. v. Deze meent dat de historie der wet, d. w. z. van den C. C, waaraan onze bepaling is ontleend, aantoont, dat de bepaling ontleend is aan Pothier'S, Traité des Obligations, en dat tevens kan worden aangetoond, dat Pothier op die plaats de derde bezitter niet onder hen begreep, die met of voor anderen tot betaling gehouden zijn.

Dat Pothier elders dan in Obligations § 556 zeer zeker dit recht wel aan den derden bezitter toekent, wordt echter door van Oven toegegeven. Ook neemt deze aan, dat men, zoowel bij het redigeeren van den C. C. als van ons wetboek, dit wilde bestendigen. Is het dan niet aannemelijk, althans zeer goed mogelijk, dat zij in de korte formule van art. 12513 C. C. (ons art. 1438) meenden de complete theorie van Pothier tot uitdrukking te brengen, of, op zijn minst, om aan te nemen, dat de historische afkomst dezer bepaling aan die ruimere interpretatie niet in den weg staat ?

Sluiten