Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Ik meen dus, dat wij ook dezen derden bezitter in de voordeelen van art. I43fj;3 mogen doen deelen.1

§ 131. Ten slotte geeft de wet in art. 1439 (slot) nog een regeling voor het geval de schuld niet geheel is betaald, zoodat de crediteur en de gesubrogeerde ieder een deel van het verschuldigde bedrag van den schuldenaar te vorderen hebben. Het kan zijn, dat voor de schuld in haar geheel een hypotheek is gegeven, die niet voldoende blijkt om beiden geheel te voldoen. Men zou denken, dat in zoo'n geval de opbrengst van het onderpand tusschen den crediteur en den gesubrogeerde verdeeld zou worden in verhouding tot het bedrag, dat ieder te vorderen heeft. Doch de wet bepaalt anders. De inspiratie volgende van een oud rechtsadagium: nemo censetur subrogasse contra se, bepaalt de wet, dat in zoo'n geval de crediteur voorgaat boven den gesubrogeerde, zoodat deze tevreden moet zijn met wat er overblijft, nadat de crediteur geheel zal zijn betaald. Het is moeilijk voor deze bepaling een rechtvaardiging te vinden.2 Mogelijk vat de H. R. mede daarom de bepaling zoo eng mogelijk op en acht hij haar alleen geschreven voor de gevallen, waarin, gelijk in het hierboven gegeven voorbeeld, een zekerheid voor de betaling der schuld is gesteld. In de wet wordt echter zoo'n nauw verband tusschen de beide deelen van art. 1439 niet gelegd en een uitlegging, volgens welke de gesubrogeerde bij iedere verdeeling van het vermogen des debiteurs, dus ook indien niet de opbrengst van een zekerheid tot verdeeling komt, altijd pas aan de beurt komt, nadat de crediteur ten volle is betaald, ware m. i. met de historie evenmin in strijd als met de woorden van het artikel. 3 De onredelijkheid' der bepaling zou dan evenwel nog sterker uitkomen.

1 De wet geeft hier en daar nog andere gevallen aan, waarin een wettelijke subrogatie intreedt. Zie de artt. 1149, 1152, 1877 B. W. en 171 en 284 K.

2 Zie de noot van Meyers in W. P. N. R. 2505 onder arrest H. R. 9 Nov. 1917. ook te vinden in W. 10196 en N. J. 1917, n'86.

3 Zij werd dan ook voorgestaan door den Adv.-Gen. ledeboer in de conclusie, welke aan het in de vorige noot genoemde arrest voorafging.

Sluiten