Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

precies bekend is of omtrent welker beloop hij met den crediteur van meening verschilt. In de eventueel volgende procedure tot vanwaar de verklaring kan het juiste bedrag dan worden vastgesteld.

Zijn geen interessen verschuldigd of geen kosten gemaakt, dan behoeft daarvoor ook niets te worden aangeboden. Het ontbreken van zoo'n aanbod op zich zelf staat dan ook niet aan de geldigheid van het aanbod in den weg. 1 Zijn echter wèl, rechtmatig, kosten gemaakt, dan zal het ontbreken van eenig 2 aanbod er toe leiden, dat het geheele aanbod als onvoldoende moet worden aangemerkt.

§ I34- Wat zijn nu de rechtsgevolgen van dit aanbod? Bevrijding van den debiteur brengt het nog niet mede. Dat blijkt voldoende uit art. 14402, dat de bevrijding verbindt aan een aanbod, gevolgd door consignatie, terwijl uit art. 14422 blijkt, dat de verschuldigde rente door het doen van een aanbod niet ophoudt te loopen. Vraagt men verder wat de rechtsgevolgen van het aanbod zijn, speciaal met betrekking tot de mogelijkheid zich langs den hier aangewezen weg te bevrijden, dan zijn die op zich zelf ook niet van overgroot belang. Zij bestaan hierin, dat de weigering van den crediteur om te accepteeren thans deugdelijk is vastgesteld en dat derhalve de mogelijkheid bestaat zich door consignatie van de schuld te bevrijden.

Evenwel heeft hetgeen geschied is, alleen reeds omdat het een aanbod was, dezelfde gevolgen, die aan alle aanbiedingen, van de zijde des debiteurs gedaan, eigen zijn, onverschillig of zij al dan niet met het oog op een consignatie hebben plaats gevonden en zij wel in den vorm zijn geschied, welke in art. 14417 wordt voorgeschreven. Evenals ieder deugdelijk en tijdig gedaan aanbod om te praesteeren, dat ter uitvoering van een verbintenis plaats vindt, heeft ook dit aanbod tot gevolg,3 dat de debiteur daarna niet meer door een enkel tijdsverloop in verzuim zal geraken, en zelfs niet meer in gebreke kan worden gesteld, zoolang hij dat aanbod gestand doet.

1 H. R. 12 Juni 1903, W. 7934.

2 Daar het bedrag der onvereffende kosten toch later moet worden vastgesteld, neemt men aan, dat men daarvoor niet meer dan een minimaal bedrag behoeft aan te bieden (H. R. 8 Dec. 1905, W. 8310). Wil de debiteur echter een later proces over deze quaestie zooveel mogelijk ontgaan, dan is het hem geraden een redelijk aanbod te doen.

3 Zie Opzoomer YII blz. 99 e. v.

Sluiten