Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Merkwaardig is, dat in dat geval ook de medeschuldenaren en borgen van den debiteur, die door de consignatie eveneens waren bevrijd, huns ondanks weer verbonden worden (art. 14442)l. Daaruit blijkt duidelijk, dat de bevrijding des debiteurs van den aanvang af als een herroepelijke moet worden beschouwd. Zoolang de consignatie in stand blijft, is de debiteur echter bevrijd en verkrijgt de crediteur in plaats van zijn vordering op den debiteur er een op de consignatiekas. 2

§ 137. Het kan natuurlijk de vraag zijn, of datgene, wat door den schuldenaar is geconsigneerd of krachtens art. 1448 in bewaring is gesteld, inderdaad naar aard en omvang voldoet aan de eischen der verbintenis. Indien toch aan die eischen niet ware voldaan, dan is de consignatie niet bevrijdend en doet zij ook geen rechten van den crediteur verloren gaan.

De debiteur kan wachten, of de crediteur 3 hem wellicht tot

beslag te hebben gelegd, schijnt twijfelachtig. Want dit recht op teruggave ontstaat pas door een opzegging, welke van den debiteur moet uitgaan. Zie C. J. M. Wilde, Het rechtskarakter der schuldbevrijding door consignatie, en het artikel van Parser in N. J. B. 1933 blz. 141. De crediteuren van den crediteur zullen onder den Staat op de ten behoeve van den crediteur geconsigneerde gelden beslag kunnen leggen. Doch zal dat beletten, dat daarna de debiteur, die geconsigneerd heeft, niettemin zijn recht op terugvordering uitoefent ? Het hangt af van het antwoord op de vraag, of men mag aannemen, dat deze crediteuren van den crediteur diens recht om aan te nemen uitoefenen.

1 Eenigszins worden de onaangename verrassingen, die dit voorschrift kan medebrengen, getemperd door art. 1446.

2 Men kan het ook zoo zeggen, dat hier een, t. a. v. den crediteur gedwongen, schuldvernieuwing plaats vindt, hierin bestaande, dat hij krachtens een overeenkomst, tusschen den debiteur en den Staat der Nederlanden gesloten, waaraan een derden-beding te zijnen behoeve verbonden is, een anderen schuldenaar verkrijgt, terwijl de eerste ontslagen is. In dit gedwongen karakter der schuldvernieuwing ligt een afwijking van art. 1453. Of het hier gewraakte derden-beding ook geldig is krachtens art. 1353, hangt af van de beteekenis, welke men aan dat artikel toekent. Wilde meent in zijn aangehaald werk van ja, doch gaat daarbij uit van een opvatting van art. 1353, die, m. i. terecht door den H. R. verworpen is. Evenwel heeft de rechtspraak van den H. R. op art. 1353 zich zóó ontwikkeld, dat zij, ondanks dat andere uitgangspunt, m. i. toch ook een dergelijke overeenkomst geldig zou achten, daar ook de debiteur een recht verkrijgt; het recht n.1. om eventueel het geconsigneerde bedrag terug te vorderen.

3 De crediteur kan ook, zonder nog betaling te vragen, ziph bepalen tot den eisch, dat de nietigheid der gedane consignatie worde uitgesproken. Zie art. 796 Rv.

Sluiten