Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

een ander standpunt. Dat blijkt b.v. uit1 art. 1464, dat er kennelijk van uitgaat, dat verleening van uitstel van betaling niet een nieuwe schuld doet ontstaan, doch de oude continueert. Aan ditzelfde denkbeeld geeft art. 1887 uiting door te bepalen, dat bij uitstel van betaling, met toestemming van den crediteur, de borg verbonden blijft.2 Dat is ook met het spraakgebruik in overeenstemming. En daaraan mag men zeker waarde hechten, indien niet valt aan te toonen — hetzij uit andere wetsbepalingen, hetzij uit de historie van den rechtsregel — dat aan een uitdrukking een afwijkende beteekenis moet worden gehecht. Het zal dus in ieder concreet geval des rechters taak zijn uit te maken, of de tweede overeenkomst de eerste — eenigszins gewijzigd — liet bestaan, dan wel door een nieuwe heeft vervangen. 3

Is de inhoud van een verbintenis van dien aard, dat een der partijen daarin naar eigen goedvinden een, meer of minder ruim omschreven, wijziging kan aanbrengen, dan kan men aarzelen of

geheel vervallen en door een nieuwe vervangen is, zal d<£-echterlijke competentie alleen naar deze laatste worden beoordeeld (art. 314 Rv.). Ook zal in die onderstelling in geval van wanpraestatie alleen ontbinding der laatstgesloten overeenkomst moeten worden gevraagd. Moet men den tusschen pp. bestaanden rechtsband daarentegen opvatten als te zijn gesproten uit twee overeenkomsten, waarvan de laatste de vroegere eenigszins aanvulde of wójzigde, doch niet verving, dan zal men juist van die eerste overeenkomst, of mogelijk van allebei, ontbinding moeten vragen. (Zie b.v. rb. Breda 24 Juni [913, X. J. 1913, 819, Hof Amsterdam 3 Juni 1918, N. J. 1918, 913).

1 Naber (Weekbl. v. h. Xotariaat n°. 519 e. v.) wijst ook op de cessie als een onvolkomen schuldvernieuwing. Ik betwijfel of dat juist is. Bij verkoop van een vordering, gevolgd door levering (cessie) gaat men uit van de voorstelling, dat de vordering een zaak is. Als zoodanig wordt het ook in de artt. 1569 e. v. en in art. 668 voorgesteld. Daarnaast staat de aan het verbintenissenrecht ontleende opvatting van de verbintenis als rechtsband, waarin door wisseling van personen een wijziging wordt gebracht. Het is m. i. bedenkelijke harmonistiek het een uit het ander te willen afleiden of daarmede in verband te brengen. Er is hier een soortgelijk verschijnsel als bij de subrogatie.

2 Ook in art. 1456 zou men een bewijs mogen zien, dat niet elke wijziging der verbintenis = schuldvernieuwing, indien men mocht aannemen, dat het artikel op iets anders ziet, dan op de mogelijkheid, welke natuurlijk aan beide pp. openstaat, de betaling en de ontvangst door een lastgever te doen geschieden. Meestal vat men het artikel in dezen beperkten zin op. Er is echter reden tot twijfel, indien men ziet uit welke bron het is geput. (Pothier, 594).

3 Zie Peanioe II 11°. 541 en 542, die — waarschijnlijk als voorbeeld — beslist, dat invoeging of wijziging van een tijdsbepaling niet, doch invoeging of schrapping van een voorwaarde wèl schuldvernieuwing is, omdat deze laatste wijziging „affecte 1'existence même de la créance".

v. Bkakfl, Verbintenissenrecht. 12

Sluiten