Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

men hier te doen heeft met een schuldvernieuwing, waarin de tegenpartij reeds van te voren heeft toegestemd, of met eenvoudige rechtsuitoefening door een der partijen, die het bestaan der overeenkomst niet aantast. T. a. v. alternatieve verbintenissen heeft, v. z. v. ik weet, niemand ooit beweerd, dat het doen der keuze een schuldvernieuwing medebracht. Veel verschil van meening bestaat daarentegen aangaande een overeenkomst, waarbij aan een der partijen de bevoegdheid is gegeven, ook t. a. v. zijn verplichtingen, een ander in zijn plaats te stellen.1 M. i. ligt een antwoord in den laatsten zin het meest voor de hand. Het is evenwel denkbaar, dat partijen duidelijk hun bedoeling uitspreken, dat een dergelijke handeling een schuldvernieuwing zal zijn en dus door de daarvoor in het bijzonder geldende regels (mede) zal worden beheerscht, in welk geval de wet niet verbiedt, doch integendeel voorschrijft, met die bedoeling rekening te houden.

Ook ingeval een schuld uit koop (b.v. een restant-koopsom) in een schuld van anderen aard (b.v. geldleening) wordt omgezet, kan twijfel bestaan aan den aard der transactie. Sommigen noemen dit schuldvernieuwing, anderen het aangaan van een geheel nieuwe schuld, waarbij de betaling der te leen verstrekte gelden met den koopprijs wordt gecompenseerd, zoodat de koopschuld niet door schuldvernieuwing, maar door compensatie te niet gaat. Ook hier zal de bedoeling der partijen den doorslag moeten geven. Die op te sporen is een feitelijke vraag. A priori is noch de eene, noch de andere mogelijkheid te verwerpen. 2

1 Zie b.v. het geval beslist door H. R. 29 Nov. 1907, W. 8619, Hoetink n°. 105, waarbij een dergelijk beding volkomen geldig werd geacht.

2 Zoo vat ook de Hooge Raad het op, die beide uitleggingen toelaatbaar acht en meent, dat deze tot de speciaal aan den feitenrechter opgedragen taak behooren. Vgl. de arresten van 10 Jan. 1896, W. 6762, met die van 26 Mei 1916, W. 10002, N. J. 1916, 711; 5 Maart 1925, W. 11394. N. J. 1925, 584; en ten slotte met die van 3 Nov. 1927, W. 11752, N. J 1928, 843 en 5 Januari 1928, W. 11783, N. J. 1928, 388. Van der feetz, in diens dissertatie, De overeenkomst van verbruikleening (blz. 11—15), meent, dat de H. R. in deze arresten bepaald partij koos voor een der beide theorieën. In het eerste geval zou de H. R. de novatietheorie, in die van 1916 en 1925 de compensatietheorie hebben gehuldigd, om met ingang van 1927 weer tot de novatietheorie terug te keeren. M. i. vindt deze interpretatie in de arresten zelf geen steun. De H. R. zegt telkens niet anders, dan dat het Hof door zijn appreciatie der feiten geen wetsartikel heeft geschonden, doch laat deze appreciatie zelve voor rekening van den lageren rechter.

Sluiten